Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:6692

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
10 december 2024
Zaaknummer
11020081 UC EXPL 24-2133
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BWArt. 7:650 BWArt. 7:902 BWArt. 6:119 BWArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Melding overtreding concurrentiebeding door werknemer en matiging boete

De werknemer was van februari 2019 tot februari 2024 in dienst bij de werkgever als trainer/adviseur. Na beëindiging van het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst, waarin afspraken over een concurrentiebeding waren opgenomen, ontstond een geschil over de vermeende overtreding van dit beding door de werknemer.

De werknemer voerde aan dat er geen geldig concurrentiebeding van toepassing was, maar de kantonrechter liet deze discussie buiten beschouwing vanwege de vaststellingsovereenkomst waarin nieuwe afspraken waren gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding, dat ook betrekking had op concurrentie tijdens het dienstverband, van kracht bleef tot de einddatum en dat de werknemer dit beding had overtreden door zonder toestemming contact te zoeken met een relatie van de werkgever.

Hoewel de arbeidsovereenkomst een boetebeding van €10.000 bevatte en de werkgever dit had gematigd tot €5.000, matigde de kantonrechter de boete verder tot €1.000 vanwege het ontbreken van schade en het feit dat het een eenmalige overtreding betrof. De werkgever moet het verschil van €4.000 aan de werknemer betalen met wettelijke rente. De vordering tot rectificatie en volledige vergoeding van rechtsbijstandskosten werden afgewezen, evenals de volledige proceskostenvergoeding. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Boete wegens overtreding concurrentiebeding gematigd tot €1.000, werkgever moet €4.000 terugbetalen met rente, overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11020081 UC EXPL 24-2133 CFd/63200
Vonnis van 23 oktober 2024
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.P.H. Verheijden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 22 maart 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van 12 september 2024 van de gemachtigde van [eiser] , met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 23 september 2024 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was [eiser] aanwezig met mr. D.C.J. Bogerd. Namens [gedaagde] was aanwezig de heer [A] (directeur/bestuurder van [gedaagde] ) met mr. P.P.H. Verheijden.
1.3.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] is van 1 februari 2019 tot 1 februari 2024 in dienst geweest bij [gedaagde] , in de functie van trainer/adviseur. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is geëindigd door een vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst zijn afspraken gemaakt over een concurrentiebeding. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] het concurrentiebeding overtreden en is hij een boete verschuldigd. [gedaagde] heeft € 5.000,- aan boete in mindering gebracht op de vergoeding die zij bij de eindafrekening aan [eiser] verschuldigd was. [eiser] betwist dat hij het concurrentiebeding heeft overtreden en eist dat [gedaagde] het bedrag van € 5.000,- alsnog aan hem betaald. Ook is [eiser] van mening dat [gedaagde] een relatie van [gedaagde] onjuist heeft geïnformeerd over wat [eiser] op basis van het concurrentiebeding is toegestaan.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het concurrentiebeding heeft overtreden en aan [gedaagde] een boete is verschuldigd. De kantonrechter matigt de boete tot een bedrag van € 1.000,-. Niet is gebleken dat [gedaagde] haar relatie onjuist heeft geïnformeerd. De vordering tot rectificatie wordt afgewezen. De beslissing zal hieronder worden toegelicht.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben in artikel 4.3. van de vaststellingsovereenkomst het volgende vastgelegd:
“De tussen partijen overeengekomen postcontractuele bedingen blijven onverminderd van kracht. Echter komt het concurrentiebeding per de einddatum te vervallen (…).
Het relatiebeding geldt vanaf de einddatum niet langer voor de navolgende opdrachtgevers:
(…)
-
[opdrachtgever]
(…)”
In artikel 1 van Pro de “Aanvulling op de arbeidsovereenkomst” staat:
“Het is Werknemer zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van twee jaar na het eindigen daarvan verboden om zonder schriftelijke toestemming van Werkgever binnen Nederland direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor derden, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of op enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van Werkgever (…).”
3.2.
Partijen hebben discussie over de uitleg van deze bepalingen en de geldigheid van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst.
Partijen hebben nieuwe afspraken gemaakt in de vaststellingsovereenkomst
3.3.
[eiser] stelt allereerst dat er tussen partijen geen concurrentiebeding van toepassing is. Hij voert daartoe het volgende aan. Het concurrentiebeding dat is opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voldoet niet aan de eisen zoals bedoeld in artikel 7:653 BW Pro en is daarom nietig. Bij omzetting naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geen nieuw concurrentiebeding overeengekomen, maar slechts verwezen naar het eerder overeengekomen beding. Dit betekent dat er ook nadien geen rechtsgeldig concurrentiebeding tussen partijen is overeengekomen, aldus [eiser] .
3.4.
De kantonrechter laat de discussie of het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is overeengekomen in het midden. Partijen hebben immers een vaststellingsovereenkomst getekend en daarin zijn nieuwe afspraken gemaakt over het concurrentiebeding. Partijen hebben in overleg met hun advocaten uitgebreid gesproken en onderhandeld over het concurrentiebeding. De advocaat van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat ook discussie is geweest over de geldigheid van het concurrentiebeding. Vervolgens hebben partijen nadere afspraken gemaakt en deze vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Voor zover het concurrentiebeding niet geldig zou zijn, bepaalt artikel 7:902 BW Pro dat een vaststelling ter beëindiging van een geschil (zoals hier het geval) ook geldig is als zij in strijd is met dwingend recht.
Partijen hebben ook afspraken gemaakt over concurrentie gedurende het dienstverband
3.5.
[eiser] stelt verder dat partijen uitsluitend afspraken hebben gemaakt over concurrentie na het einde van het dienstverband en niet over concurrentie gedurende het (resterende deel van het) dienstverband. [eiser] voert aan dat het concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst uiteen valt in twee bedingen: een nevenwerkzaamhedenbeding en een concurrentiebeding. Partijen hebben tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst uitsluitend gesproken over toepassing van de
postcontractuele bedingen. Dit staat ook zo vermeld in de vaststellingsovereenkomst. Het nevenwerkzaamhedenbeding is geen post-contractueel beding en daarom niet meer van toepassing tussen partijen. Het nevenwerkzaamhedenbeding valt onder de finale kwijting die partijen hebben afgesproken.
3.6.
Het is juist dat het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst niet uitsluitend een concurrentiebeding is in de zin van artikel 7:653 BW Pro. Op grond van het eerste lid van dat wetsartikel wordt onder een concurrentiebeding namelijk verstaan een “
beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheidom na het einde van de overeenkomstop zekere wijze werkzaam te zijn”. Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst ziet ook op de situatie - zoals hier aan de orde - dat de werknemer
tijdens het dienstverbandde werkgever concurrentie aandoet. Voor zover het concurrentiebeding ziet op laatstgenoemde situatie, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW Pro, maar van een verkapt nevenwerkzaamhedenbeding.
3.7.
Hoewel een concurrentiebeding zoals bedoeld in de zin van de wet (artikel 7:653 BW Pro) alleen geldt voor de periode na het einde van de arbeidsovereenkomst, kunnen partijen ook afspraken maken over concurrentie gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst. Dit hebben partijen ook gedaan. Partijen hebben die afspraken vastgelegd in één beding onder de naam “Concurrentiebeding”. Zij hebben dit beding niet opgesplitst. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt ook niet dat partijen bedoeld hebben om het concurrentiebeding op te splitsen. Zij spreken immers over één concurrentiebeding dat per de einddatum komt te vervallen. Dat betekent dat het concurrentiebeding tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst van kracht blijft.
[eiser] heeft het concurrentiebeding overtreden
3.8.
Het was [eiser] volgens het concurrentiebeding kort gezegd niet toegestaan om voor 1 februari 2024, voor zichzelf of namens een nieuwe werkgever, werkzaamheden te verrichten voor relaties van [gedaagde] die concurrerend zijn met de activiteiten van [gedaagde] . [eiser] heeft dat wel gedaan. [eiser] heeft namelijk op 4 december 2023, zonder toestemming van [gedaagde] , contact opgenomen met een relatie van [gedaagde] ( [opdrachtgever] ). [eiser] heeft voorgesteld om voor die relatie in 2024 als ZZP-er of vanuit een nieuwe werkgever dezelfde werkzaamheden te gaan verrichten zoals hij deed bij [gedaagde] . Op basis van het concurrentiebeding mocht dat niet.
[eiser] is een boete verschuldigd
3.9.
In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de postcontractuele bedingen onverminderd van kracht blijven. Het boetebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst is te zien als een postcontractueel beding, omdat dat beding ook na het einde van de arbeidsovereenkomst werking heeft. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt niet dat partijen een van de arbeidsovereenkomst afwijkende consequentie aan schending van het concurrentiebeding hebben willen verbinden. Het boetebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst is dus van toepassing.
3.10.
Zoals [eiser] terecht opmerkt is artikel 7:650 BW Pro van toepassing op de boete, omdat het hier gaat over schending van een (verkapt) nevenwerkzaamhedenbeding. [eiser] verdient meer dan het minimumloon zodat afwijking van lid 3, 4 en 5 van dat artikel was toegestaan. Het boetebeding voldoet dus aan de vereisten van artikel 7:650 BW Pro.
3.11.
Volgens het boetebeding is [eiser] een boete verschuldigd van € 10.000,-. [gedaagde] heeft de boete gematigd tot een bedrag van € 5.000,-.
[eiser] moet een boete betalen van € 1.000,-
3.12.
In dit geval wordt het beroep van [eiser] op een verdere matiging van de boete gehonoreerd. Een boete kan worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Matiging is slechts aan de orde indien toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Omstandigheden die hierbij van belang zijn, zijn de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. In dit specifieke geval weegt het volgende mee.
3.13.
Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] door overtreding van het concurrentiebeding door [eiser] schade heeft geleden. De relatie van [gedaagde] heeft immers vrijwel direct aangegeven niet met [eiser] in zee te (willen) gaan. Ook is niet gebleken dat [eiser] het beding vaker heeft overtreden. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het is gebleven bij deze eenmalige overtreding.
3.14.
Anderzijds is er uitvoerig onderhandeld over de inhoud van het concurrentiebeding. Daarbij zijn partijen bijgestaan door advocaten. [eiser] wist althans had moeten weten wat er wel en niet mocht en heeft zich daar niet aangehouden. Rekening houdend met alle omstandigheden zal de boete worden gematigd tot € 1.000,-.
3.15.
De conclusie is dat [gedaagde] € 4.000,- (€ 5.000 - € 1.000) aan [eiser] moeten betalen. De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
De vordering tot rectificatie wordt afgewezen
3.16.
Het was [eiser] niet toegestaan om voor 1 februari 2024 concurrerende werkzaamheden te verrichten zoals omschreven in het concurrentiebeding. [eiser] heeft dat wel gedaan. [gedaagde] heeft geen onjuiste informatie verstrekt aan [opdrachtgever] . De vordering tot rectificatie wordt daarom afgewezen.
Afwijzing kosten rechtsbijstand
3.17.
[eiser] vordert een vergoeding van de volledige rechtsbijstandskosten die hij heeft moeten maken anders dan ter instructie van deze zaak (op grond van artikel 7:611 BW Pro jo 6:96 BW). [gedaagde] heeft niet in strijd gehandeld met goed werkgeverschap, zodat deze kosten worden afgewezen. Ook is onvoldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Compensatie proceskosten
3.18.
De door [eiser] gevorderde veroordeling van [gedaagde] in de integrale kosten van de procedure zal ook worden afgewezen. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De kantonrechter zal de proceskosten compenseren, omdat partijen over en weer in het (ongelijk) zijn gesteld.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 4.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2024.
63200