ECLI:NL:RBMNE:2024:6705

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
24/3992
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2a Wet op de ZorgtoeslagArt. 9 Uitvoeringsregeling ZorgtoeslagAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingenWet op de Zorgtoeslag
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugvordering zorgtoeslag wegens overschrijding vermogensgrens

Eiser heeft een voorschot zorgtoeslag ontvangen voor het jaar 2022. Later ontving de Dienst Toeslagen gegevens waaruit bleek dat het vermogen van eiser op 1 januari 2022 boven de toegestane vermogensgrens lag. Op basis hiervan heeft Dienst Toeslagen de zorgtoeslag definitief op nul vastgesteld en het voorschot teruggevorderd.

Eiser voerde aan dat zijn vermogen op 1 juli 2022 was gedaald tot onder de vermogensgrens en dat hij daarom recht had op zorgtoeslag. De rechtbank overweegt dat de peildatum voor het vermogen wettelijk is vastgesteld op 1 januari van het toeslagjaar en dat deze peildatum en de vermogensgrens dwingende bepalingen zijn. Omdat eiser niet betwist dat zijn vermogen op de peildatum boven de grens lag, is hij niet gerechtigd tot zorgtoeslag.

De rechtbank concludeert dat de hardheidsclausule niet van toepassing is in deze zaak en dat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgehouden aan het besluit tot terugvordering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak is mondeling gedaan op 4 december 2024 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van zorgtoeslag wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de vermogensgrens op de peildatum.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3992
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. Op 11 maart 2023 heeft Dienst Toeslagen aan eiser een voorschot zorgtoeslag van € 1.112,- verleend. Het voorschot is verleend voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.
2. Op 10 januari 2024 heeft verweerder een melding vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) ontvangen waaruit blijkt dat de rendementsgrondslag over het vermogen van eiser over 2022 € 126.585,- bedraagt.
3. Met het besluit van 9 februari 2024 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen de zorgtoeslag over het jaar 2022 definitief op € 0,- berekend en een bedrag van € 1.138,- inclusief € 26,- aan rente, teruggevorderd.
4. Met het besluit van 7 maart 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 4 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Eiser was, zonder bericht van verhindering, niet aanwezig.
6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
8. Eiser is het niet eens met de vaststelling en terugvordering van de zorgtoeslag over het jaar 2022. Eiser stelt dat hij recht heeft op zorgtoeslag, omdat zijn vermogen op 1 juli 2022 is geslonken tot onder de vermogensgrens.
9. De beroepsgrond slaagt niet. Zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke uitkering als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van de zorgtoeslag wordt berekend aan de hand van de draagkracht van een belanghebbende. De draagkracht bestaat uit het inkomen en het vermogen van een belanghebbende. De peildatum is vastgesteld op 1 januari van het betreffende toeslagjaar. [1] Eiser betwist niet dat zijn vermogen op de peildatum boven de vermogensgrens kwam. Dit betekent voor eiser dat hij geen recht heeft op zorgtoeslag. De rechtbank overweegt verder dat de peildatum en de vermogensgrens dwingend wettelijke bepalingen zijn. Er kan alleen afgeweken worden van de vermogensgrens, als de hardheidsclausule dit toestaat. [2] Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift uitgebreid gemotiveerd waarom in het geval van eiser hiervan niet kan worden afgeweken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 2a, eerste lid van de Wet op de Zorgtoeslag (Wzt).
2.Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.