Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden voor de huisvesting van maximaal 60 alleenstaande minderjarige asielzoekers in een voormalig kantoorpand.
Verzoekers, bewoners uit de directe omgeving, hebben bezwaar gemaakt tegen de vergunning en vroegen de voorzieningenrechter om schorsing van de vergunning in afwachting van de behandeling van hun beroepen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers een spoedeisend belang hadden, omdat het COA al in januari wilde starten met de opvang.
De voorzieningenrechter gaf geen oordeel over de kans van slagen van de beroepen, maar zag geen evidente fouten in de besluitvorming en geen aanleiding om de vergunning te schorsen. Het maatschappelijke belang van het COA en de gemeente om de opvanglocatie te kunnen gebruiken, mede vanwege de opvangcrisis en de noodzaak om minderjarigen in de gemeente te houden, woog zwaarder dan de belangen van verzoekers.
Hoewel verzoekers vreesden voor geluidsoverlast, verkeer en onveiligheid, werd dit belang minder zwaar gewogen omdat de overlast tijdelijk is en de opvang kan worden beëindigd als de rechtbank later anders beslist. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalde dat het college geen proceskosten hoefde te vergoeden.