AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bevoegdheid bestuursrechter bij raadsbesluit ter voorbereiding privaatrechtelijke rechtshandeling
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het raadsbesluit van de gemeente Nieuwegein van 14 december 2023, waarbij de rechtbank zich op 24 mei 2024 onbevoegd verklaarde omdat het besluit een voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling betreft. Opposant ging hiertegen in verzet en stelde dat het besluit publiekrechtelijk is en dat de rechtbank wel bevoegd is om de zaak inhoudelijk te beoordelen.
De rechtbank heeft in deze uitspraak het eerdere oordeel bevestigd. Het raadsbesluit betreft de voorgenomen aankoop van een bedrijfsperceel en het beschikbaar stellen van krediet, wat een privaatrechtelijke handeling is, ook al wordt deze door een publiekrechtelijke rechtspersoon verricht. Hierdoor is het besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep bij de bestuursrechter volgens artikel 8:3 AwbPro.
De rechtbank overweegt dat artikel 6:3 AwbPro niet van toepassing is omdat het besluit niet een besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro is. Omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst van het beroep, kon de rechtbank het verzet buiten zitting afdoen en verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak van 24 mei 2024 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt haar onbevoegdheid ten aanzien van het beroep tegen het raadsbesluit.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/789-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2024 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant,
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het raadsbesluit van de gemeente Nieuwegein van 14 december 2023.
In de uitspraak van 24 mei 2024 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2024. Opposant en verweerder zijn niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 24 mei 2024 zich onbevoegd verklaard, omdat in artikel 8:3 lid 2 vanPro de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het besluit van de raad van 14 december 2023 is een dergelijk besluit. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2024 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2024 niet juist, omdat de rechtbank niet in de uitspraak gemotiveerd heeft waarom artikel 8:3 vanPro de Awb van toepassing is. Het is opposant niet duidelijk waarom de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat het raadsbesluit van 14 december 2023 een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling is. Opposant vindt dat het hier gaat om een publiekrechtelijke handeling en niet om een procedurele beslissing. Mocht de rechtbank oordelen dat het raadsbesluit van 14 december 2023 wel een besluit is ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, dan is naar mening van opposant artikel 6:3 vanPro de Awb van toepassing. In dit artikel staat dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. In dit geval wordt de gemeenschap van Nieuwegein rechtstreeks in haar belang getroffen en daarom is de bestuursrechter bevoegd om de zaak inhoudelijk te beoordelen.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank overweegt dat een rechtshandeling publiekrechtelijk van aard is als het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen gebruikt kan worden.
5. Ingevolge artikel 8:3 vanPro de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Er staat geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open tegen besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dit ligt in het verlengde van art. 1:3, eerste lid, van de Awb op grond waarvan privaatrechtelijke rechtshandelingen aan de werking van de Awb en dus ook aan de competentie van de bestuursrechter zijn onttrokken
6. Het raadsbesluit van 14 december 2023 betreft de voorgenomen aankoop van een bedrijfsperceel en het beschikbaar stellen van krediet voor die aankoop. Dit betreft een (voorbereiding van een) privaatrechtelijke rechtshandeling [1] . Het voornemen tot aankoop van een bedrijfsperceel en het beschikbaar stellen van krediet voor die aankoop behelst niet een uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, maar een (voorbereiding van) verrichting van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat die rechtshandeling door een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt verricht, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het raadsbesluit van 14 december 2023 een voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling is [2] . Het raadsbesluit van 14 december 2023 is niet gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag en is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het is ook om die reden dat artikel 6:3 vanPro de Awb niet van toepassing is. Dit artikel is van toepassing op beslissingen inzake procedure ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 vanPro de Awb en dat is het raadsbesluit niet. Het is dus niet mogelijk om tegen het raadsbesluit beroep in te stellen bij de bestuursrechter.
7. Omdat geen twijfel bestond over de uitkomst van het beroep, heeft de rechtbank dit beroep buiten zitting mogen afdoen. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 24 mei 2024 blijft in stand.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024.