ECLI:NL:RBMNE:2024:6843

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
UTR 24/1761
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6 Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente [plaats]Nota Parkeernormen Fiets en Auto 12 maart 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing parkeervergunning wegens voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein

Eiser heeft op 2 januari 2024 een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor zijn woonadres, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft deze aanvraag op 9 januari 2024 afgewezen omdat het adres op de Adressenlijst staat waar geen parkeervergunning wordt uitgegeven. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank op 9 december 2024 het beroep behandeld en de afwijzing bevestigd.

De kern van het geschil was of het college het aanvraagadres terecht op de Adressenlijst had geplaatst. Eiser stelde dat er onvoldoende parkeergelegenheid was, omdat er slechts 79 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd voor 84 woningen, waardoor hij geen eigen parkeerplaats heeft. De rechtbank oordeelde echter dat het college mocht uitgaan van de Nota Parkeernormen uit 2013 en dat met 79 parkeerplaatsen voldaan werd aan de norm van minimaal 76 plaatsen.

De rechtbank benadrukte dat het uitgangspunt niet is dat iedere bewoner recht heeft op een eigen parkeerplaats, maar dat de parkeernorm ervoor zorgt dat de extra parkeerbehoefte niet op de openbare ruimte wordt afgewenteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de parkeervergunning is terecht. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de parkeervergunning bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1761
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] ,het college
(gemachtigde: A. Rahimi en mr. M. Gorissen).

Inleiding

1. Eiser heeft op 2 januari 2024 een bewonersparkeervergunning (hierna: parkeervergunning) aangevraagd voor zijn woonadres [adres] in [plaats] (hierna: aanvraagadres).
2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 januari 2024 afgewezen, omdat eiser op een adres woont waarvoor geen parkeervergunning wordt uitgegeven. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3. Met het bestreden besluit van 4 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 4 maart 2024 op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering
8. Tussen partijen is niet in geschil dat het aanvraagadres in parkeerzone B1, parkeerrayon 30100/Leidsche Rijn Centrum ligt en op de Adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen (hierna: Adressenlijst) staat. De vraag die hier voor ligt is of het college het aanvraagadres op de Adressenlijst heeft mogen plaatsen.
9. Eiser voert aan dat er onvoldoende parkeergelegenheid is in de gezamenlijke parkeervoorziening onder zijn appartementencomplex. Bij de bouw van dit complex zijn er slechts 79 parkeerplaatsen gerealiseerd, terwijl er 84 woningen zijn. Hierdoor is eiser één van de vijf bewoners zonder parkeerruimte. De parkeerplaats zat namelijk niet bij de verkoop van het appartement inbegrepen en het is eiser niet gelukt om een parkeerplaats te kopen of huren van andere bewoners. Aangezien er volgens eiser onvoldoende parkeerruimte is gerealiseerd, had het aanvraagadres niet op de Adressenlijst geplaatst mogen worden en is zijn aanvraag voor de parkeervergunning onterecht afgewezen.
10. De rechtbank is van oordeel dat het college het aanvraagadres terecht op de Adressenlijst heeft geplaatst en daarmee de parkeervergunning op de juiste gronden heeft afgewezen. De rechtbank overweegt dat een woning op de Adressenlijst geplaatst mag worden indien er voor 1 april 2019 een omgevingsvergunning is afgegeven en er een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen Fiets en Auto van 12 maart 2013 (hierna: Nota Parkeernormen) voldoende parkeerruimte is. [1] Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de omgevingsvergunning inderdaad voor 1 april 2019 is verleend, namelijk op 27 december 2016. Op dat moment was sprake van “stedelijk gebied zonder betaald parkeren” in de zin van de Nota Parkeernormen en viel het appartementencomplex in het in die Nota genoemde B2-gebied. Uit bijlage B1 van de Nota Parkeernormen blijkt welke parkeernorm is vastgesteld voor het B2-gebied. Hieruit volgt dat ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning voor woningen van 80 tot 130 vierkante meter een parkeernorm geldt van 1,2 tot 1,4 parkeerplekken per woning. De bezoekersnorm van 0,3 wordt daar nog van afgehaald. Dat komt uiteindelijk neer op een parkeernorm van 0,9 tot 1,1 parkeerplekken per woning. Dat betekent dat er in dit geval minimaal 76 parkeerplaatsen gerealiseerd hadden moeten worden om aan de norm te voldoen. Omdat er op het aanvraagadres 79 parkeerplekken zijn gerealiseerd, is er naar oordeel van de rechtbank voldaan aan de parkeernorm. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser vervelend is dat hij niet daadwerkelijk over een eigen parkeerplaats kan beschikken. Maar zoals het college ook heeft toegelicht, is het niet het uitgangspunt dat een ieder recht heeft op een parkeerplaats. Het gaat er om dat de extra parkeerbehoefte niet mag worden afgewenteld op de openbare ruimte. Het kan dus zijn dat niet iedereen een parkeerplek heeft.
11. Het college heeft gelet op het voorgaande zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de parkeernorm en het adres terecht op de Adressenlijst is geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag voor de parkeervergunning op basis daarvan terecht afgewezen. [2]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Het college heeft de aanvraag voor de parkeervergunning dan ook terecht afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2024 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a van de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente [plaats] (Nadere Beleidsregel).
2.Artikel 6, vijfde lid van de Nadere Beleidsregel.