ECLI:NL:RBMNE:2024:685

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
UTR_19_3709
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen UWV-besluit arbeidsongeschiktheid

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV over haar arbeidsongeschiktheidspercentage. Na diverse besluiten, waaronder een toekenning van 60,94% en een bezwaargegrondverklaring met 78,62%, heeft het UWV uiteindelijk een gewijzigd besluit genomen waarbij verzoekster recht kreeg op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Hierdoor heeft het UWV de eerdere besluiten ingetrokken en is het verzoekster volledig tegemoetgekomen.

Verzoekster heeft vervolgens haar beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren, waarna het UWV geen bezwaar maakte tegen het verzoek. De rechtbank heeft het verzoek toegekend en de proceskostenvergoeding vastgesteld op €1.750,-, gebaseerd op twee proceshandelingen tegen een tarief van €875,- per handeling.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het griffierecht van €47,- te vergoeden, maar hierover geen beslissing neemt omdat verzoekster dit niet heeft gevorderd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 13 februari 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: J.E. Eshuis),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 22 augustus 2019.
1.2.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben om de proceskosten van verzoekster te betalen.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
5. In een besluit van 30 januari 2019 heeft het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan verzoekster toegekend op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 60,94%. In een besluit van
22 augustus 2022 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster hiertegen gegrond verklaard, omdat verzoekster 78,62% werd geacht. Op 18 september 2019 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 22 augustus 2022. Het Uwv heeft op
14 november 2023 een gewijzigd besluit genomen en meegedeeld dat verzoekster per
4 februari 2019 recht heeft op een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering), omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft de besluiten van 30 januari 2019 en 22 augustus 2022 ingetrokken. Hiermee is het Uwv volledig tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekster heeft een nadere motivering van het beroepschrift van een eerdere gemachtigde ingediend. Verder heeft de gemachtigde van verzoekster aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank kent aan beide proceshandelingen een punt toe. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
7. Omdat het Uwv in zijn besluit van 22 augustus 2019 heeft aangegeven dat hij de gemaakte kosten in bezwaar zal vergoeden en verzoekster hierin bij de intrekking van het beroep niet heeft verzocht, zal de rechtbank daarover geen beslissing nemen.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
8. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
13 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.