Eiser heeft een woning gekocht in mei 2022 en wilde deze tijdelijk verhuren aan een vriend vanwege diens urgente woonbehoefte. Het college verleende een verhuurvergunning opkoopbescherming voor een maximale duur van 12 maanden, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2021, die onder de prijsgrens van €440.000 lag, waardoor de woning onder de opkoopbescherming valt. De hogere WOZ-waarde van 1 januari 2022, waarop eiser zich baseert, is niet relevant voor het besluit.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiser en de huurder, weegt het belang van de opkoopbescherming zwaarder. De vergunning voor 12 maanden biedt voldoende tijd voor de huurder om alternatieve woonruimte te vinden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor een langere periode wordt niet toegekend.