Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; Bij gebreke daarvan aan:
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; of
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Bij gebreke daarvan aan:
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; En bij gebreke daarvan aan:
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
Moest het college de oudergegevens opnemen op grond van de door eiser afgelegde verklaring onder ede?5. Het is vaste rechtspraak dat voorop staat dat de gegevens in de Brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8, tweede lid, van de Wbp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in de Brp opgenomen gegevens onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 mei 2022 [1] moet voor wijziging van geregistreerde gegevens beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van een hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het betreffende gegeven, of worden de betreffende gegevens, in de Brp gewijzigd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit in dit geval ook te gelden omdat het gaat om een verzoek om aanvulling van oudergegevens en meer in het bijzonder om aanvulling van de gegevens van de vader, en de achternaam van de vader veelal bepalend is voor de achternaam van een kind. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat hij in vervolg op dit verzoek zijn eigen achternaam wil wijzigen conform de gestelde achternaam van zijn vader.
Gelijkheidsbeginsel
Conclusie en gevolgen