De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning van zijn kind, geboren in Colombia, en tot beëindiging van het gezamenlijk gezag. De erkenning was volgens Colombiaans recht onherroepelijk, waardoor vernietiging niet mogelijk was. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de erkenning in stand te laten vanwege het belang van stabiliteit en continuïteit voor het kind.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was om over het verzoek te beslissen en dat Colombiaans recht van toepassing was op de erkenning. De belangenafweging toonde aan dat het in het belang van het kind was de erkenning te handhaven. Ten aanzien van het gezag werd vastgesteld dat de relatie tussen de ouders was verbroken en de man geen rol meer wenste te spelen in het leven van het kind.
De rechtbank besloot daarom het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder het eenhoofdig gezag toe te wijzen. Deze beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.