ECLI:NL:RBMNE:2024:6882

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
1118785 \ UC EXPL 24-4363
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 BWArt. 6:136 BWArt. 6:119 lid 1 BWArt. 6:81 BWArt. 6:82 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde huur na lagere huurprijs vastgesteld door huurcommissie

Eisers sloten een huurovereenkomst met gedaagde en betaalden huur volgens deze overeenkomst. De huurcommissie stelde echter een lagere huurprijs vast met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2023 vanwege gebreken aan het gehuurde. Eisers vorderden terugbetaling van het teveel betaalde over de periode 1 april 2023 tot en met 30 april 2024, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde betwistte de berekening en stelde dat hij al een groot deel had terugbetaald. Tevens voerde hij verrekening aan met schade en kosten die een van de eisers zou moeten betalen. De kantonrechter oordeelde dat de verrekening niet slaagde omdat de schade en kosten onvoldoende waren onderbouwd en niet eenvoudig vast te stellen.

De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van het resterende bedrag aan eisers, inclusief wettelijke rente vanaf de datum van ingebrekestelling en een gematigd bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast werden de proceskosten aan de zijde van eisers toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het restant van te veel betaalde huur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11186785 \ UC EXPL 24-4363
Vonnis van 9 oktober 2024
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1]
2.
[eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2]
eisende partijen,
gemachtigde: De Huurdokters,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van met producties I t/m XI;
- de conclusie van antwoord met productie;
- de conclusie van repliek met producties XII t/m XVII;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Kern van de zaak

2.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben op grond van de huurovereenkomst die zij met [gedaagde] hebben gesloten huur betaald. De huurcommissie heeft een lagere huurprijs vastgesteld. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen het teveel betaalde over de maanden 1 april 2023 tot en met 30 april 2024 terugkrijgen, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde] voert aan dat de berekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet klopt. Hij heeft bovendien een groot deel al terugbetaald en beroept zich ten opzichte van [eiseres sub 2] voor het overige op verrekening met schade en kosten die [eiseres sub 2] moet betalen. [gedaagde] vindt dat hij nu niets meer verschuldigd is. De verdere kosten zijn voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe en veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.De beoordeling

Vordering uit onverschuldigd betaalde huur
3.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn een procedure begonnen bij de huurcommissie om de overeengekomen huurprijs te beoordelen. De huurcommissie heeft zowel in de zaak van [eiser sub 1] als in de zaak van [eiseres sub 2] bepaald dat, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2023, een lagere huurprijs redelijk is en een tijdelijke verlaging op zijn plaats is in verband met gebreken aan het gehuurde. [gedaagde] heeft niet binnen de in de wet genoemde termijn een beslissing van de rechter gevorderd over de huurprijs. [gedaagde] voert daartoe omstandigheden aan die voor zijn rekening komen. Dit heeft tot gevolg dat partijen geacht worden te zijn overeengekomen wat in de uitspraak van de huurcommissie is vastgesteld. [1]
3.2.
[eiser sub 1] betaalde op grond van de huurovereenkomst € 395,00 per maand all-in. Door de uitspraak van de huurcommissie was hij per maand slechts € 17,19 aan huur verschuldigd en € 98,75 als voorschotbedrag voor bijkomende kosten. Dat is in totaal een bedrag van € 115,94. Per maand heeft [eiser sub 1] daarmee € 279,06 te veel betaald. Over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 april 2024 (13 maanden), gaat het dan om een bedrag van € 3.627,78. Dit bedrag heeft [gedaagde] op 1 juni 2024 betaald, welke betaling door partijen geheel is toegerekend aan deze vordering. [eiser sub 1] heeft daarmee geen vordering meer op [gedaagde] uit hoofde van onverschuldigde betaling.
3.3.
[eiseres sub 2] betaalde op grond van de huurovereenkomst € 600,00 per maand all-in. Door de uitspraak van de huurcommissie was zij per maand slechts € 44,73 aan huur verschuldigd en € 150,00 als voorschotbedrag voor bijkomende kosten. Dat is in totaal een bedrag van € 194,73. Per maand heeft [eiseres sub 2] daarmee € 405,27 te veel betaald. Over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 april 2024 (13 maanden), gaat het dan om een bedrag van € 5.268,51. [gedaagde] heeft op 1 juni 2024 een bedrag van € 3.707,55 betaald, welke betaling door partijen geheel is toegerekend aan deze vordering. [eiseres sub 2] heeft daarmee nog een vordering op [gedaagde] van € 1.560,96 uit hoofde van onverschuldigde betaling.
[gedaagde] kan niet € 1.500,00 aan schadevergoeding verrekenen
3.4.
De wet bepaalt dat de rechter een vordering ondanks een beroep op verrekening kan toewijzen indien de gegrondheid van dit verweer (de vordering van [gedaagde] ) niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. [2] Dat is hier het geval.
3.5.
Vóór 1 april 2023 huurde [eiseres sub 2] de kamer die [eiser sub 1] later is gaan huren. [gedaagde] stelt dat [eiseres sub 2] zonder zijn toestemming een hoogslaper in deze kamer heeft gebouwd en de kamer bij het einde van de huur niet deugdelijk – zonder deze hoogslaper – heeft opgeleverd. [gedaagde] stelt dat hij hierdoor € 1.500,00 aan schade heeft geleden, dan wel zal lijden. [eiseres sub 2] lijkt zich op het standpunt te stellen dat zij het gehuurde deugdelijk heeft opgeleverd bij het einde van de huurovereenkomst of althans dat [gedaagde] heeft ingestemd met de wijze waarop de kamer is opgeleverd. [eiseres sub 2] betwist bovendien de schade. Zij voert aan dat de kamer mét de hoogslaper in gebruik is gegeven aan [eiser sub 1] en er dus geen kosten zijn voor [gedaagde] om de hoogslaper te verwijderen.
3.6.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [gedaagde] de hoogslaper nog niet heeft verwijderd en het ook niet zeker is dat hij deze op enig moment zal (moeten) verwijderen. Ook heeft [gedaagde] de gestelde kosten om de hoogslaper te verwijderen niet toegelicht. De vordering van [gedaagde] tot vergoeding van schade kan daarom niet eenvoudig worden vastgesteld. Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet.
[gedaagde] kan niet € 57,45 aan kosten verrekenen
3.7.
[gedaagde] voert aan dat in de huurovereenkomst is bepaald “dat bij verstoppingen in de keuken, badkamer en WC de kosten van de ontstoppingsdienst gezamenlijk met de andere huurders zullen delen” en houdt € 57,44 in, in verband met kosten die zouden zijn gemaakt voor een loodgieter. [gedaagde] verwijst naar de met [eiseres sub 2] gesloten huurovereenkomst die bij dagvaarding zou zijn overgelegd. De kantonrechter constateert dat bij dagvaarding een kopie is overgelegd van een huurovereenkomst met [eiser sub 1] waarin een dergelijke bepaling is opgenomen. Ook is een bericht overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres sub 2] een andere kamer gaat huren. De aanvankelijk gesloten huurovereenkomst met [eiseres sub 2] is niet als productie overgelegd. [eiseres sub 2] betwist dat deze kosten voor haar rekening komen. In de dagvaarding merkt [eiseres sub 2] op dat zij ook geen enkele onderbouwing van [gedaagde] heeft ontvangen op grond waarvan zij gehouden zou zijn deze kosten te betalen.
3.8.
Gelet op de betwisting van [eiseres sub 2] , had van [gedaagde] een betere onderbouwing van zijn vordering mogen worden verwacht. Niet blijkt immers wanneer en door wie een loodgieter is ingeschakeld. Ook blijkt niet wat de kosten daarvan waren. Ook deze vordering van [gedaagde] kan daarmee niet eenvoudig worden vastgesteld. Ook dit beroep op verrekening slaagt niet.
[gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd
3.9.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen “de wettelijke rente” vanaf de dag van de ingebrekestelling tot aan de dag van algehele voldoening. Uit § 5.1 en § 5.2 van de dagvaarding volgt dat bedoeld is de wettelijke rente te vorderen over de aanvankelijk verschuldigde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening. De kantonrechter zal de vordering zo lezen. [gedaagde] betwist wettelijke rente verschuldigd te zijn en voert daartoe aan dat hij niet eerder kon betalen en de zogenaamde 14-dagen brief pas op 6 of 8 juni 2024 zou hebben ontvangen, terwijl hij de vorderingen toen al (grotendeels) had betaald.
3.10.
De wet bepaalt dat bij vertraging in de voldoening van een geldsom schadevergoeding verschuldigd is. Deze schadevergoeding bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. [3] Het verzuim treedt in dit geval in, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden, de schuldenaar in gebreke is gesteld en nakoming binnen de gestelde termijn uitblijft. [4] De prestatie (terugbetaling van het bedrag dat onverschuldigd is betaald) is opeisbaar op het moment waarop de onverschuldigde betaling is verricht. Op 18 april 2024 is namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] per e-mail een ingebrekestelling verzonden, waarbij een termijn is gesteld van 14 dagen. Betaling heeft niet binnen die termijn plaatsgevonden. Dat betekent dat [gedaagde] in verzuim is geraakt met ingang van de 15e dag na 18 april 2024, dus met ingang van 3 mei 2024. Dat [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn kón betalen, zoals hij stelt, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. [gedaagde] is dus wettelijke rente verschuldigd over de onverschuldigd betaalde bedragen vanaf 3 mei 2024 tot aan de dag van algehele voldoening. De datum van de later verzonden 14-dagen brief is voor verschuldigdheid van de wettelijke rente niet relevant.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.11.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen elk vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] betwist dat hij deze kosten dient te vergoeden. Hij voert daartoe aan dat hij de zogenaamde 14-dagen brief pas op 6 of 8 juni 2024 zou hebben ontvangen, terwijl hij de vorderingen toen al (grotendeels) had betaald en dat door de gemachtigde van eisers geen werkzaamheden zijn verricht die vergoeding van deze kosten rechtvaardigt.
3.12.
[gedaagde] is toerekenbaar tekortgekomen in de nakoming van de verbintenis tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , door niet binnen de bij e-mail van 18 april 2024 gestelde termijn de vordering (volledig) te voldoen. Op grond van de wet is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die daardoor ontstaat. [5] Onder die schade is begrepen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (buitengerechtelijke incassokosten). [6] De kantonrechter constateert dat hier sprake is van een vordering die is ontstaan ná 1 juli 2012 en de vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet uit overeenkomst is ontstaan (maar juist uit het ontbreken daarvan voor het onverschuldigd betaalde deel). De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn moet dan worden beoordeeld aan de hand van het zogenaamde Rapport BGK-integraal. Dat betekent dat de proceskosten niet zonder meer worden genormeerd door het Besluit buitengerechtelijke incassokosten (BIK), maar dat nog getoetst moet worden of het redelijk is geweest om kosten te maken voor buitengerechtelijke handelingen en of de omvang van de gemaakte kosten ook redelijk is. Het moet bovendien gaan om kosten die gemaakt zijn anders dan ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. [7]
3.13.
Namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is voldoende gesteld en onderbouwd dat meerdere brieven zijn gestuurd, vóórdat [gedaagde] heeft betaald, om buiten rechte betaling te verkrijgen. Het is dan ook redelijk geweest om kosten te maken. Uitgaande van de aanvankelijk verschuldigde bedragen van € 3.627,28 aan [eiser sub 1] en € 5.268,51 aan [eiseres sub 2] , kunnen op grond van de Staffel bij het BIK de volgende (gevorderde) bedragen in beginsel redelijk worden geacht:
[eiser sub 1] : € 638,43 ex BTW € 134,07 BTW € 772,50 incl. BTW
[eiseres sub 2] : € 487,73 ex BTW € 102,42 BTW € 590,15 incl. BTW
De kantonrechter ziet echter aanleiding de kosten te matigen. De Huisdokters heeft de zaken voor [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gelijktijdig behandeld, waarbij aanmaningen steeds in vrijwel gelijkluidende tekst en op dezelfde data zijn verzonden en overige correspondentie (grotendeels) in dezelfde e-mails heeft plaatsgevonden. Uitgaande van het totaal van de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] van € 8.895,79 zou op grond van de Staffel bij het BIK een bedrag van € 819,79 exclusief BTW redelijk zijn. Dit kantonrechter acht daarom een totaalbedrag van € 1.000,00 exclusief BTW redelijk voor de verrichte werkzaamheden. Naar rato van de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] komt dit neer op € 407,75 exclusief BTW en € 493,38 inclusief BTW in de zaak van [eiser sub 1] , respectievelijk € 592,25 exclusief BTW en € 716,62 inclusief BTW in de zaak van [eiseres sub 2] .
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.14.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tezamen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,39
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten x € 238,00)
- nakosten
119,00
Totaal
980,39
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16.
De kantonrechter zal beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 2] , binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te betalen een bedrag van € 1.560,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 5.268,51 met ingang van 3 mei 2024 tot 1 juni 2024 en over € 1.560,96 met ingang van 1 juni 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 2] , binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te betalen een bedrag van € 716,62 inclusief BTW ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] , binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 3.627,28 met ingang van 3 mei 2024 tot 1 juni 2024;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] , binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te betalen een bedrag van € 493,38 inclusief BTW ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk van € 980,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024.
44556

Voetnoten

1.Artikel 7:262 BW Pro.
2.Artikel 6:136 BW Pro.
3.Artikel 6:119 lid 1 BW Pro.
4.Artikel 6:81 en Pro 6:82 lid 1 BW.
5.Artikel 6:74 BW Pro.
6.Artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro.
7.Artikel 6:96 lid 3 BW Pro en artikel 241 Rv Pro.