ECLI:NL:RBMNE:2024:6906

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
C/16/585770 / KG ZA 24-634
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot afscheid nemen van overleden zus in uitvaartcentrum

Eiseres startte een kort geding nadat gedaagde haar weigerde toestemming te geven om afscheid te nemen van haar overleden zus in het uitvaartcentrum. Het afscheidsmoment was gepland op 17 december 2024, de uitvaart op 18 december 2024.

Eiseres beriep zich op haar recht op family life zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, dat haar het recht geeft om op een waardige wijze afscheid te nemen van haar zus. Gedaagde stelde dat hij de wens van zijn overleden vrouw eerde door eisende partij geen toestemming te geven, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs of een schriftelijke wilsverklaring.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de weigering van gedaagde onrechtmatig is omdat het recht op family life ook het recht omvat om afscheid te nemen van een overleden familielid. De vordering werd daarom toegewezen, waarbij gedaagde werd veroordeeld medewerking te verlenen aan het afscheid nemen op een afgesproken tijdstip in het uitvaartcentrum. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om eisende partij medewerking te verlenen aan het afscheid nemen van haar overleden zus in het uitvaartcentrum.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/585770 / KG ZA 24-634
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 17 december 2024
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
procederend met een toevoeging onder nummer [nummer] ,
advocaat: mr. D. Nan (vervangster van mr. [.] ),
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 16 december 2024 met producties 1 tot en met 6 van [eiseres] ;
  • de mondelinge behandeling van 17 december 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling was [eiseres] in persoon aanwezig, samen met haar broer en dochter en bijgestaan door mr. D. Nan. [gedaagde] was ook in persoon aanwezig, samen met twee zonen. De kantonrechter heeft vragen gesteld en partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren.
1.3.
Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2024 is [A] overleden. Zij was de zus van [eiseres] en de vrouw van [gedaagde] . Het afscheidsmoment is gepland op dinsdagavond 17 december 2024 en de uitvaart is gepland op woensdag 18 december 2024. [gedaagde] heeft aan [eiseres] meegedeeld dat hij haar geen toestemming geeft voor het nemen van afscheid van haar zus. [eiseres] is deze procedure gestart. Zij vindt het in strijd met artikel 8 EVRM Pro dat zij geen afscheid mag nemen van haar zus. [gedaagde] is het met deze vordering niet eens.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om medewerking te verlenen aan het realiseren van een door [eiseres] te nemen afscheid op dinsdag 17 december 2024 vóór 18:00 uur of na 19:45 uur van haar (op [overlijdensdatum] 2024 overleden) zus, [A] , die thans verblijft in het uitvaartcentrum [uitvaartcentrum] , [adres] te [plaats] , en verleent, voor zover nodig, vervangende toestemming aan [eiseres] , zodat [eiseres] bij uitvaartcentrum [uitvaartcentrum] te [plaats] toegelaten wordt voor het nemen van afscheid van haar (op [overlijdensdatum] 2024 overleden) zus [A] ;
3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter geeft de volgende motivering.
Spoedeisendheid
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarom moet worden beoordeeld of [eiseres] een spoedeisend belang heeft. Dat is hier het geval en dat staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Het beroep op family life uit artikel 8 EVRM Pro slaagt
4.3.
De vordering van [eiseres] is om [gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking, althans om vervangende toestemming te verlenen, zodat [eiseres] afscheid kan nemen van haar zus in het uitvaartcentrum. [eiseres] doet daarbij een beroep op family life uit artikel 8 EVRM Pro. Volgens [eiseres] is het onrechtmatig van [gedaagde] om haar een afscheid te ontnemen. [gedaagde] verweert zich en voert aan dat hij de wens van zijn overleden vrouw eert door [eiseres] geen toestemming te geven voor het nemen van afscheid.
4.4.
De stelling van [gedaagde] dat hij de wens van zijn overleden vrouw eert, is niet komen vast te staan. Nergens blijkt uit dat het de wens van de overledene was om [eiseres] geen toestemming te geven voor het nemen van afscheid. Dat heeft [gedaagde] niet onderbouwd. De wens van de overledene had (door of voor haar) op papier gezet kunnen worden als het van belang was geweest. Dat is niet gebeurd. Dat de overledene tijdens haar leven zou hebben opgemerkt dat zij bepaalde personen (waaronder [eiseres] ) niet meer hoefde te zien, betwist [eiseres] . En zelfs als de overledene dergelijke opmerkingen heeft gemaakt, betekent dat niet automatisch dat de wens van de overledene was om haar zus te weren voor een afscheid na haar overlijden.
4.5.
Vervolgens bepaalt artikel 8 lid 1 EVRM Pro (het Europees verdrag voor de rechten van de mens) dat een ieder recht heeft op respect voor haar privéleven, haar familie- en gezinsleven, haar woning en haar correspondentie. Tot dit recht behoort het recht van [eiseres] om in het uitvaartcentrum op een waardige manier afscheid te kunnen nemen van haar overleden zus en haar aldus de laatste eer te bewijzen. Er zijn meerdere uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens waarin is overwogen dat dit behoort tot het recht dat iemand heeft. De weigering van [gedaagde] om in te stemmen met het nemen van afscheid door [eiseres] , waardoor hij verhindert dat [eiseres] voornoemd recht kan uitoefenen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarmee handelt [gedaagde] tegenover [eiseres] onrechtmatig. De door [gedaagde] gestelde feiten over de reden van de weigering zijn weersproken door [eiseres] . Wat daar verder ook van zij, die discussie tussen partijen vormt hoe dan ook geen rechtvaardiging voor de weigering van [gedaagde] .
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de vordering van [eiseres] bescheiden is ingesteld. Zij vraagt niet om bij de uitvaart op 18 december 2024 aanwezig te mogen zijn en ook niet om aanwezig te mogen zijn bij de vastgestelde uren van het afscheidsmoment op dinsdagavond 17 december 2024. Zij vraagt enkel om een moment bij het uitvaartcentrum om afscheid te kunnen nemen van de overledene. [eiseres] heeft haar vordering verder toegelicht en gesteld dat het gaat om de wens om afscheid te nemen van de overledene in het bijzijn van haar dochter en broers. Dat is niet als zodanig gevorderd. Maar hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen over het recht op family life, geldt net zo goed voor haar dochter en haar broers. Ook zij hebben recht op family life.
4.7.
Op basis van het voorgaande komt de voorzieningenrechter daarom tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar zijn.
De proceskosten
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
de griffier, de voorzieningenrechter,
mr. J.C.F. Vissers mr. A.R. Creutzberg