ECLI:NL:RBMNE:2024:6946

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
24/3102
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 sub c WsfArt. 3.27 tweede lid WsfArt. 3.27 zevende lid WsfArt. 11.5 Wsf
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling vergoeding voor onrechtmatig gebruik studentenreisproduct zonder inschrijving

Eiseres gebruikte in september en oktober 2023 het studentenreisproduct terwijl zij niet was ingeschreven bij een onderwijsinstelling, hetgeen een vereiste is voor het recht op dit product. Dit kwam door een misverstand waardoor haar inschrijving voor het studiejaar 2023/2024 niet was doorgezet. Nadat zij dit op 5 oktober 2023 ontdekte, heeft zij zich vanaf 1 november 2023 alsnog ingeschreven.

De minister legde een vergoeding van €488,44 op wegens het onrechtmatig gebruik van het studentenreisproduct. Eiseres ging hiertegen in bezwaar, maar de minister handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelde dat het recht op het studentenreisproduct alleen bestaat bij geldige inschrijving en dat eiseres in de genoemde maanden niet aan deze voorwaarde voldeed.

De rechtbank overwoog dat het gebruik van het studentenreisproduct zonder recht tot betaling van een vergoeding leidt, tenzij er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn of het niet aan eiseres kan worden verweten dat zij het gebruik niet stopzette. Dit was hier niet het geval. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres moet de vergoeding betalen. Het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en eiseres moet de vergoeding van €488,44 betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3102
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Inleiding

1. De minister heeft met het besluit van 10 november 2023 bepaald dat eiseres een vergoeding van € 488,44 moet betalen omdat zij in september en oktober 2023 het studentenreisproduct heeft gebruikt terwijl zij daar geen recht op had. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan en met het besluit van 5 februari 2024 is de minister bij het eerdere besluit gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Dit proces-verbaal is een weergave van die mondelinge uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres stond in het studiejaar 2022/2023 ingeschreven voor de studie
Creative Businessaan de Hogeschool Utrecht en dacht dat zij ook voor het studiejaar 2023/2024 stond ingeschreven. Door een misverstand tussen haar en haar ouders was dat niet het geval. Toen eiseres er op 5 oktober 2023 achter kwam dat ze niet stond ingeschreven, heeft ze contact opgenomen met de opleiding en is ze vanaf 1 november 2023 alsnog ingeschreven.
4. De rechtbank overweegt dat er alleen recht op gebruik van het studentenreisproduct bestaat als een student staat ingeschreven bij een in de wet aangewezen onderwijsinstelling. [1] Eiseres stond in de maanden september en oktober 2023 niet ingeschreven en dus had zij geen recht om gebruik te maken van het studentenreisproduct. Zij heeft het reisproduct in die maanden wel gebruikt om van en naar haar opleiding te reizen.
5. Als er gebruik wordt gemaakt van het reisproduct terwijl daarop geen recht bestaat moet er een vergoeding worden betaald aan de minister. [2] De wet bepaalt de hoogte van die vergoeding en die bedraagt in dit geval € 488,44. Eiseres moet die vergoeding dus betalen.
6. Dat kan anders zijn als eiseres niet kan worden verweten dat zij haar reisproduct niet heeft stopgezet of als er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn. [3] Dat speelt hier niet. Het was de verantwoordelijkheid van eiseres om ervoor te zorgen dat zij stond ingeschreven op het moment dat zij het studentenreisproduct gebruikte.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres de vergoeding van € 488,44 aan de minister moet betalen. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het betaalde griffierecht niet terug.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hierna omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024 door mr. S.T. Könning, rechter, in aanwezigheid van L. Kalkman, griffier.
de griffier is verhinderd om dit proces-verbaal mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, sub c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf).
2.Artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf.
3.Artikel 3.27, zevende lid, en artikel 11.5, van de Wsf.