Partijen sloten in juli 2024 een koopovereenkomst voor acht percelen grond, met een afgesproken transportdatum van 2 september 2024. Koper stelde de waarborgsom niet tijdig, waarna verkoper de koper in gebreke stelde. Partijen spraken een nieuwe transportdatum af, 16 september 2024, waarbij zij bij de notaris verschenen maar niet tot levering kwamen vanwege onenigheid over de omvang van de te leveren percelen.
Verkoper ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk op 18 oktober 2024 en vorderde betaling van een boete. Koper vorderde nakoming van de overeenkomst, inclusief levering van een extra perceel genoemd in de ontwerp-transportakte. De voorzieningenrechter oordeelde dat het eerdere verzuim van koper was gezuiverd door de nieuwe afspraak en aanwezigheid bij de notaris, waardoor ontbinding niet aannemelijk was.
Echter, vanwege essentiële onduidelijkheden over welke percelen precies waren verkocht en geleverd moesten worden, kon nakoming niet worden toegewezen in kort geding. Ook de boetevordering van verkoper werd afgewezen omdat de ontbinding niet was vastgesteld. Beide partijen werden in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van proceskosten.