ECLI:NL:RBMNE:2024:6983

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
24/4171
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es- de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens toekenning WW-uitkering

Verzoekster, voormalig werknemer, diende een beroep in tegen het besluit van het UWV om haar aanvraag voor een WW-uitkering af te wijzen wegens het niet voldoen aan de wekeneis. Het UWV handhaafde dit besluit bij bezwaar. Vervolgens nam het UWV een nieuw besluit waarin alsnog per 2 augustus 2023 een WW-uitkering werd toegekend. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank om het UWV te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

De rechtbank stelde vast dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen door de uitkering alsnog toe te kennen. Op grond daarvan wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde het UWV tot betaling van een forfaitaire vergoeding van € 875,- voor de rechtsbijstand. Daarnaast werd het UWV verplicht het griffierecht van € 51,- te vergoeden.

De uitspraak werd zonder zitting gedaan en de rechtbank gaf tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 51,- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4171

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. L.R. Breuker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.

Inleiding

1.1.
Verzoekster was voorheen werkzaam bij [bedrijf] B.V.. als voor 24 uur per week. Met het besluit van 15 december 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de wekeneis. Ze heeft namelijk niet 26 weken gewerkt in de periode van 36 weken voorafgaand aan 23 november, de eerste werkloosheidsdag.
2. Met de beslissing op bezwaar van 26 april 2024 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.1.
Het Uwv heeft op 23 oktober 2024 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit II). Daarbij heeft het Uwv het bestreden besluit I gewijzigd en verzoekster alsnog per 2 augustus 2023 een WW-uitkering toegekend.
3.2.
Verzoekster heeft op 25 oktober 2024 laten weten dat zij zich kan vinden in de gewijzigde beslissing van het Uwv en het beroep intrekt. Verzoekster heeft tegelijkertijd de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot de proceskosten.
3.3.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft per 30 oktober 2024 meegedeeld dat zij zich kunnen vinden in een forfaitaire proceskostenvergoeding.
3.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]

Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?

6. Zoals hiervoor overwogen, heeft het Uwv inmiddels wel WW-uitkering toegekend. Het Uwv is wat dat betreft tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten, bestaande uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoeksteres;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).