Verzoekster, voormalig werknemer, diende een beroep in tegen het besluit van het UWV om haar aanvraag voor een WW-uitkering af te wijzen wegens het niet voldoen aan de wekeneis. Het UWV handhaafde dit besluit bij bezwaar. Vervolgens nam het UWV een nieuw besluit waarin alsnog per 2 augustus 2023 een WW-uitkering werd toegekend. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank om het UWV te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen door de uitkering alsnog toe te kennen. Op grond daarvan wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde het UWV tot betaling van een forfaitaire vergoeding van € 875,- voor de rechtsbijstand. Daarnaast werd het UWV verplicht het griffierecht van € 51,- te vergoeden.
De uitspraak werd zonder zitting gedaan en de rechtbank gaf tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.