Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 13 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak gaat het om een hoger beroep ex artikel 67 Faillissementswet Pro tegen een beschikking van de rechter-commissaris (RC) die curator opdraagt een schikking uit te voeren in het faillissement van een besloten vennootschap. De schikking was in juni 2021 getroffen tussen curator van de failliete vennootschap en curatoren van een andere vennootschap, waarbij een bedrag van €70.000 werd betaald ter afwikkeling van een vordering.
Appellante, die de vordering van de curator had overgenomen, stelde zich op het standpunt dat zij ontvankelijk was in het hoger beroep tegen het bevel van de RC. De rechtbank oordeelt echter dat appellante geen partij is bij de beschikking waartegen zij in hoger beroep komt, omdat het verzoek niet door haar is gedaan en de beschikking niet aan haar is gericht. Bovendien is zij voldoende gehoord geweest in eerdere procedures en door de RC.
De rechtbank stelt vast dat de schikking in het belang van de boedel is en dat de voorlopige inschatting van de proceskansen van de curator niet aanleiding geeft om de schikking af te wijzen. Zelfs indien appellante ontvankelijk zou zijn, zou het hoger beroep worden afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank appellante niet-ontvankelijk en vernietigt zij de beschikking van de RC niet.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris.