Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een civiele hoofdzaak, omdat de rechter voorafgaand aan een zitting niet had beslist op een verzoek tot aanhouding van de zaak. Verzoeker meende dat op grond van het procesreglement het verzoek per definitie toegewezen had moeten worden en dat het uitblijven van een beslissing duidde op vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn totdat het tegendeel is bewezen. Het enkel feit dat de rechter niet voorafgaand aan de zitting een beslissing nam, vormt geen bewijs van vooringenomenheid. Bovendien is de formele beslissing op een aanhoudingsverzoek pas op de zitting zelf aan de orde. Het procesreglement geeft geen absoluut recht op aanhouding, maar laat ruimte voor belangenafweging.
Verder werd vastgesteld dat verzoekers advocaat op de zitting had ingestemd met een aanhouding van twee weken, en dat verzoeker dit bezwaar te laat had ingebracht. De wrakingskamer verklaarde het verzoek dan ook ongegrond en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.