ECLI:NL:RBMNE:2024:7237

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 november 2024
Publicatiedatum
31 december 2024
Zaaknummer
UTR 23/2875
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:36 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens toekenning IVA-uitkering

Verzoekster had beroep ingesteld tegen een UWV-besluit over haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend. Na bezwaar wijzigde het UWV dit besluit en kende verzoekster per 12 september 2022 een IVA-uitkering toe. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank om het UWV te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het UWV volledig aan het beroep tegemoet was gekomen met het gewijzigde besluit en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 2.187,50 voor het indienen van het beroepschrift, het verschijnen ter zitting en het indienen van een zienswijze.

Daarnaast werden reiskosten voor het bijwonen van de zitting en deskundigenonderzoeken voor een bedrag van € 81,54 toegewezen, maar niet de reiskosten voor het bezoeken van de gemachtigde. Voor het deskundigenrapport werd een vergoeding van € 1.215,14 toegekend, gebaseerd op het maximale uurloon volgens het Besluit tarieven in strafzaken. Het griffierecht moet verzoekster rechtstreeks bij het UWV verhalen.

De totale proceskostenvergoeding bedroeg € 3.484,18. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M. van der Linde op 13 november 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 3.484,18 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2875

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.A.W. Terpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]
1.2.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 juni 2023. In dit besluit heeft het Uwv de bezwaren van de (ex-)werkgever en van verzoekster tegen het primaire besluit van 9 september 2022 gegrond verklaard en medegedeeld dat de mate van verzoeksters arbeidsongeschiktheid per 12 september 2022 wordt vastgesteld op 73,21%. In het primaire besluit heeft het Uwv beslist dat verzoekster vanaf 12 september 2022 in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.
1.3.
Met het besluit van 4 september 2024 heeft het Uwv het besluit van 6 juni 2023 gewijzigd en verzoekster per 12 september 2022 in aanmerking gebracht voor een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).
1.4.
Verzoekster heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Met de brief van 27 september 2024 heeft het Uwv de rechtbank laten weten dat hij zich kan vinden in vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Beoordeling door de rechtbank

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 4 september 2024 volledig tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 12 september 2022 een IVA-uitkering aan verzoekster toegekend. Dit betekent dat het verzoek van verzoekster om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
Proceskosten
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster op grond van het Bpb vast op € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Reiskosten
5. Verzoekster heeft verder verzocht om het Uwv te veroordelen in de reiskosten voor de twee overleggen met haar gemachtigde, het bijwonen van het deskundigenonderzoek door [verzekeringsgeneeskundige expertise] in [plaats 1] , het bijwonen van de zitting in Utrecht en het bijwonen van het deskundigenonderzoek door [expertise bureau] in [plaats 2] . Zij vraagt om vergoeding van een totaalbedrag van € 127,18.
6. De reiskosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen, zijn de reiskosten die betrokkene heeft moeten maken voor het bijwonen van een zitting en voor het ondergaan van een medisch onderzoek. Reiskosten van een partij voor het bezoeken van zijn gemachtigde komen slechts in aanmerking als de partij deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, waarvan slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake zal zijn.
7. De rechtbank ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de reiskosten voor het bijwonen van de zitting en voor het bezoeken van de deskundigen op basis van het openbaarvervoertarief, tweede klas, tot een bedrag van € 81,54. Verzoekster heeft niet onderbouwd dat zij de kosten voor het bezoeken van haar gemachtigde redelijkerwijs heeft moeten maken en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Deskundigenrapport
8. Verzoekster heeft tot slot verzocht om vergoeding van het in haar opdracht uitgebrachte en overgelegde deskundigenrapport van [verzekeringsgeneeskundige expertise] van 11 september 2023. Verzoekster heeft daarbij een factuur overgelegd ter hoogte van € 1.584,13 (inclusief btw), met daarop vermeld dat er 6,5 uur is besteed aan het rapport.
9. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, eerste lid, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit) een tarief van ten hoogste € 154,50 per uur vastgesteld. In artikel 15 van Pro het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.
10. De rechtbank ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in een bedrag van € 1.215,14 voor de kosten die verzoekster heeft gemaakt voor het deskundigenrapport. De rechtbank kent geen volledige vergoeding toe en overweegt daartoe het volgende. Uit rechtsoverweging 8 volgt dat de maximumvergoeding € 154,50 per uur bedraagt (exclusief btw). De rechtbank acht de vermelde tijdbesteding van 6,5 uur, gelet op de beschrijving van de verrichte onderzoeksactiviteiten in het overgelegde deskundigenrapport, niet onredelijk. Het Uwv heeft de opgegeven uren ook niet betwist. De vergoeding voor de door de deskundige bestede uren bedraagt derhalve € 1.004,25 + 21% btw = € 1.215,14. Voor de opgegeven portokosten voorziet het Bpb niet in de mogelijkheid deze te vergoeden, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om ze toe te kennen.
11. Op grond van bovenstaande worden de totale proceskosten vastgesteld op € 3.484,18 ( € 2.187,50 + € 81,54 + € 1.215,14)
Griffierecht
12. Voor het door verzoekster betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoekster moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 3.484,18 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
13 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Awb.