Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak vordert eiser betaling van een restant van een geldlening van €6.250,00 die gedaagde op 15 januari 2022 van hem heeft geleend voor de aanschaf van een brommobiel. Gedaagde zou maandelijks €75,00 aflossen, maar is op enig moment gestopt. Eiser stelt dat nog €5.025,00 openstaat, terwijl gedaagde meent dat hij meer heeft afgelost en nog €3.875,00 verschuldigd is.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de extra contante betalingen heeft gedaan, ondanks verklaringen van derden. Omdat eiser betwist dat hij deze contante betalingen heeft ontvangen, rust de bewijslast bij gedaagde, die niet slaagt in zijn bewijsopdracht. Hierdoor wordt de vordering van eiser toegewezen tot betaling van €5.025,00.
Daarnaast vordert eiser wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De rentevordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het verzuimmoment. De incassokosten worden toegewezen, maar gematigd tot het wettelijk maximale bedrag van €626,25. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.187,48.
De betaling van het openstaande bedrag wordt toegestaan in maandelijkse termijnen van €75,00, te beginnen vóór 1 augustus 2024, met de bepaling dat bij niet-tijdige betaling het gehele restant ineens opeisbaar wordt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde moet €5.025,00 plus incassokosten en proceskosten betalen met maandelijkse aflossing van €75,00.