ECLI:NL:RBMNE:2024:7364

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 augustus 2024
Publicatiedatum
9 januari 2025
Zaaknummer
11178073 \ AE VERZ 24-36
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:626 BWArt. 7:673 lid 1 onder a sub 3 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen geldige opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer, loon en transitievergoeding toegewezen

De werknemer trad in november 2021 in dienst bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die meerdere keren werd verlengd. De werkgever zegde het dienstverband op per 7 juni 2024, maar stelde later een eerdere einddatum van 10 mei 2024 vast, gebaseerd op een vermeende opzegging door de werknemer.

De werknemer betwistte dat zij haar arbeidsovereenkomst had opgezegd en wilde haar openstaande verlofuren opnemen tot de oorspronkelijke einddatum. De werkgever stuurde een eindafrekening met 10 mei als einddatum, maar de werknemer gaf geen akkoord op deze datum en bleef uitgaan van 7 juni 2024.

De kantonrechter oordeelde dat er geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging van de werknemer was en dat de werkgever onvoldoende had voldaan aan haar onderzoeksplicht en voorlichtingsplicht. Daarom bleef de arbeidsovereenkomst doorlopen tot 7 juni 2024.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon over de periode 11 mei tot en met 7 juni 2024, de opgebouwde verlof- en compensatie-uren, vakantiebijslag, een transitievergoeding en wettelijke rente en verhoging. Tevens werden de proceskosten aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigt op 7 juni 2024 en werkgever moet loon, verlofuren, compensatie-uren, transitievergoeding en proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11178073 \ AE VERZ 24-36 CMR/51145
Beschikking van 21 augustus 2024
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G. Bosch,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift gedateerd 9 juli 2024,
- het verweerschrift,
- de mondelinge behandeling van 17 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarop door partijen pleitnota’s zijn overgelegd. [verzoeker] was hierbij aanwezig, samen met haar gemachtigde. Namens [verweerder] waren de heer [A] (bedrijfsleider) en de heer [B] (bestuurder) aanwezig, samen met de gemachtigde.
1.2.
Hierna is bepaald dat er een uitspraak komt.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1963, is op 8 november 2021 in dienst getreden bij [verweerder] als kassamedewerker. De eerste arbeidsovereenkomst was aangegaan voor de duur van zeven maanden. Daarna is de arbeidsovereenkomst twee keer voor de bepaalde tijd van een jaar verlengd. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Supermarkt Levensmiddelenbedrijf detailhandel van toepassing.
2.2.
Op 6 mei 2024 heeft [verweerder] aan [verzoeker] laten weten dat de arbeidsovereenkomst per 7 juni 2024 zal eindigen. Dat is in een brief van 8 mei 2023 aan [verzoeker] bevestigd.
2.3.
Op 7 mei 2024 hebben [verzoeker] en [A] een gesprek gehad. Volgens [verzoeker] heeft zij tijdens dit gesprek gevraagd of zij haar nog openstaande verlofuren mocht opnemen tot aan het einde van het dienstverband. Dit omdat zij mogelijk zicht had op een nieuwe baan en daar onmiddellijk beschikbaar voor wilde zijn. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] tijdens dit gesprek echter niet gevraagd om vakantiedagen op te nemen, maar heeft zij gevraagd of [verweerder] wilde instemmen met het eerder beëindigen van haar dienstverband. Daar is [verweerder] mee akkoord gegaan. [verweerder] heeft [verzoeker] daarom een eindafrekening gestuurd, waarbij uit wordt gegaan van 10 mei 2024 als einddatum van het dienstverband.
2.4.
[verzoeker] verzoekt in deze procedure om betaling van haar loon over de periode 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024, betaling van de door haar opgebouwde verlofuren over die periode en het vakantiegeld hierover, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente. Ook vraagt zij betaling van de transitievergoeding, vermeerderd met rente. [verzoeker] stelt zich namelijk op het standpunt dat zij haar dienstverband niet heeft opgezegd en dat dit nog doorliep tot 7 juni 2024, de datum waartegen [verweerder] het einde van het dienstverband had aangezegd.

3.De beoordeling

Geen sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door [verzoeker]
3.1.
De vraag die moet worden beantwoord is of [verzoeker] haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die gericht is op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vanwege de grote (financiële) gevolgen mag een werkgever niet snel aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft een onderzoeksplicht en moet nagaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen. Ook moet de werkgever de werknemer voorlichten over de gevolgen van de opzegging.
3.2.
[verzoeker] en [verweerder] verschillen van mening over wat er tijdens het gesprek op 7 mei 2024 is besproken. Niet kan worden vastgesteld of [verzoeker] tijdens dat gesprek haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Maar nog los daarvan had [verweerder] er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [verzoeker] daadwerkelijk haar arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. [A] heeft namelijk op 10 mei 2024 een e-mail gestuurd aan [verzoeker] , waarin hij onder andere het volgende schrijft: “
(…) Hierbij nog even de werkwijze omtrent de afrekening. In verband met de wederzijds afgestemde indiensttreding elders zal de einddatum van het contract 10 mei 2024 worden. (…) Graag even akkoord hierop, zodat ik dit maandag ook zo door kan zetten. (…)”. Hiermee lijkt hij na te gaan of [verzoeker] daadwerkelijk haar arbeidsovereenkomst wilde opzeggen per 10 mei 2024 (de onderzoeksplicht).
3.3.
[verzoeker] heeft diezelfde dag een e-mail teruggestuurd, waarin zij onder andere het volgende schrijft: “
(…) De einddatum van mijn contract is 7 juni, 2024, waarbij, als mijn berekening goed is, ik nog genoeg vakantie uren heb staan om dit gat, de komende 3 weken, te kunnen overbruggen. Zodat ik in deze periode op zoek zou kunnen gaan naar nieuw werk. (…) Volgens mij hebben we ook afgesproken dat ik de vakantie uren en compensatie uren mocht opnemen. Graag zou ik zien dat de datum van uitdiensttreding blijft staan op 7 juni 2024. (…) Daarnaast heb ik de baan nog niet en is het afwachten of dit zo zal gaan. (…)”. Uit deze e-mail volgt dat het niet de bedoeling was van [verzoeker] om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen. Zij gaat immers uit van de einddatum 7 juni 2024, de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege de beëindiging door [verweerder] . Het door [A] gevraagde akkoord op de beëindiging per 10 mei 2024 wordt door [verzoeker] niet gegeven.
3.4.
Ook in latere e-mails vraagt [A] om bevestiging van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst per 10 mei 2024, waar [verzoeker] niet mee akkoord gaat. Hoewel [verweerder] dus aan haar onderzoeksplicht lijkt te willen voldoen, schendt zij deze alsnog door [verzoeker] wel te houden aan de einddatum van 10 mei 2024, terwijl [verzoeker] zegt dat zij dat niet wil. Er is daarmee dus geen sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring gericht op het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
3.5.
Bovendien heeft [verweerder] [verzoeker] niet voorgelicht over de gevolgen van het op deze manier eerder beëindigen van haar dienstverband. Zo heeft [verweerder] [verzoeker] bijvoorbeeld niet gewezen op het feit dat zij dan geen recht meer zou hebben op een transitievergoeding. Dat had [verweerder] wel moeten doen.
De gevolgen hiervan
3.6.
Omdat er geen sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoeker] gericht op het einde van de arbeidsovereenkomst, is de arbeidsovereenkomst niet per 10 mei 2024 geëindigd, maar per 7 juni 2024. Tegen die datum heeft [verweerder] immers het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd.
3.7.
[verweerder] zal dus een nieuwe eindafrekening moeten opstellen per 7 juni 2024. Onderdeel van deze nieuwe eindafrekening is ook een nieuwe berekening van een positief of negatief verlofsaldo. Op deze nieuwe eindafrekening moet [verweerder] het bedrag voor de door haar uitbetaalde 100,5 (toen nog openstaande) verlofuren van [verzoeker] verrekenen met de bedragen die [verweerder] nog aan [verzoeker] verschuldigd is. Daar zijn partijen het namelijk over eens, maar [verzoeker] heeft daar in haar vorderingen geen rekening mee gehouden. Ook tijdens de mondelinge behandeling is door of namens [verzoeker] verklaard dat zij de resterende periode van de arbeidsovereenkomst verlof wilde opnemen. De bedragen die [verweerder] nog aan [verzoeker] moet betalen (en dus moeten worden verwerkt op de nieuwe eindafrekening) worden hierna besproken.
3.8.
[verzoeker] heeft in de periode van 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024 geen loon ontvangen, terwijl zij daar wel recht op heeft. Het gaat om een bedrag van € 1.923,50 bruto. Dat bedrag wordt toegewezen. Ook heeft [verzoeker] in deze periode nog 11,82 verlofuren opgebouwd. Het is niet in geschil dat [verweerder] deze nog aan [verzoeker] moet betalen. Het gaat om een bedrag van € 177,65 bruto. Ook dat bedrag wordt toegewezen. Voor het geval de nog openstaande verlofuren van [verzoeker] niet voldoende waren om deze periode te overbruggen, moet dat tekort met het verschuldigde loon worden verrekend.
3.9.
[verzoeker] stelt dat zij ook nog recht heeft op betaling van 15,17 compensatie-uren, omdat zij op 27 april 2024 en 4 mei 2024 heeft gewerkt. Dat zijn dagen waarop [verzoeker] op grond van de cao recht heeft op een 100% toeslag. De compensatie-uren daarover zijn volgens [verzoeker] nog niet betaald. Hoewel [verweerder] stelt dat in de oude eindafrekening alle tot 10 mei 2024 opgebouwde compensatie-uren al zijn meegenomen, blijkt dat hier niet uit. Op deze eindafrekening staan immers slechts 5,25 uur aan toeslaguren opgenomen, en dat zijn volgens [verzoeker] de uren voor 9 mei 2024 (Hemelvaartsdag). Dat heeft [verweerder] niet meer weersproken. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om aan te tonen dat 27 april 2024 en 4 mei 2024 ook onderdeel waren van die eindafrekening, maar dat heeft zij niet gedaan. De 15,17 compensatie-uren worden daarom toegewezen. Het gaat om een bedrag van € 228,01 bruto.
3.10.
Over het toegewezen bedrag aan loon is [verweerder] 8% vakantiebijslag verschuldigd. Dat wordt toegewezen. Omdat nog niet zeker is of de verlofuren van [verzoeker] toereikend waren voor de periode 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024, zal deze vordering echter niet op een concreet bedrag worden vastgesteld.
3.11.
Tot slot heeft [verzoeker] op grond van artikel 7:673 lid Pro 1, onder a, sub 3 BW recht op een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst na het einde van rechtswege op initiatief van [verweerder] niet is voortgezet. De gevorderde transitievergoeding van € 1.937,93 bruto is niet door [verweerder] weersproken en wordt daarom toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
3.12.
Omdat het loon over de periode 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024 te laat is betaald door [verweerder] , heeft [verzoeker] op grond van artikel 7:626 BW Pro recht op een wettelijke verhoging van maximaal 50%. Daarnaast is [verweerder] wettelijke rente verschuldigd over het achterstallige salaris en de transitievergoeding op de wijze zoals onder de beslissing vermeld.
Proceskosten
3.13.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
814,00
(tarief gemiddelde zaak)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.197,00
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
- € 1.923,50 bruto aan loon over de periode 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024, en indien de verlofuren van [verzoeker] niet toereikend waren om deze periode volledig verlof op te kunnen nemen, verrekend met het negatieve saldo/tekort,
- € 228,01 bruto aan compensatie-uren over 27 april 2024 en 4 mei 2024,
- € 177,65 bruto aan verlofuren over 11 mei 2024 tot en met 7 juni 2024,
- voornoemde bedragen vermeerderd met 8% vakantiebijslag, daarbij rekening houdend met de 100,5 verlofuren die [verweerder] eerder aan [verzoeker] heeft uitbetaald,
en vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding van € 1.937,93 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 8 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.197,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.