ECLI:NL:RBMNE:2024:7406

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
583535 FV RK 24-2631
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens voortzetting vrijwillige zorg

De officier van justitie verzocht op 12 februari 2024 om een zorgmachtiging voor betrokkene voor twaalf maanden. De rechtbank kende deze toe op 29 februari 2024, met een geldigheidsduur tot 28 februari 2025. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, waarna de Hoge Raad de zaak terugwees naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.

De rechtbank ontving een second opinion van een psychiater die de eerdere diagnose bevestigde: betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis met psychotische component. De behandeling met medicatie heeft een stabiliserend effect en betrokkene is inmiddels overgegaan naar een open groep en neemt vrijwillig medicatie.

De rechtbank concludeert dat hoewel er sprake is van een ernstige psychische stoornis met ernstig nadeel, de zorg in een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De voorwaarden voor verplichte zorg zijn niet vervuld, waardoor het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen omdat voortzetting van zorg in een vrijwillig kader mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/583535 / FV RK 24-2631
Datum uitspraak: 18 december 2024
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene], betrokkene,
geboren op [1986] in [geboorteplaats] ,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.E. Terhorst te Alkmaar.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De officier van justitie heeft op 12 februari 2024 een verzoekschrift ingediend om aan betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
1.2.
De rechtbank heeft dit verzoek op 29 februari 2024 behandeld en het verzoek toegewezen voor de duur van twaalf maanden, dus tot en met 28 februari 2025. De rechtbank heeft de vormen van verplichte zorg die zijn verzocht, toegewezen. De rechtbank heeft daarnaast prof. dr. F.E. Scheepers, psychiater, benoemd tot deskundige en gevraagd onderzoek te doen en te rapporteren over de volgende vragen:
  • Welke diagnose(s) kunt u stellen ten aanzien van betrokkene?
  • Is er sprake van een psychotische component?
  • Welke behandelingen, indien nodig, zijn hiervoor ook voor de langere termijn aangewezen?
1.3.
Betrokkene heeft cassatie ingesteld tegen de beschikking van 29 februari 2024. De Hoge Raad heeft bij beslissing van 25 oktober 2024 de beschikking van de rechtbank vernietigd en het geding teruggewezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
1.4.
De rechtbank heeft in aanvulling op de stukken bij het verzoekschrift van 12 februari 2024 nog de second opinion, uitgevoerd door Scheepers, van 28 oktober 2024 ontvangen.
1.5.
De mondelinge behandeling na terugwijzing heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] , psychiater;
- [B] , de mentor van betrokkene.
2.
Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
De rechtbank moet na cassatie en verwijzing opnieuw beslissen op het verzoek van de officier van justitie. Het tijdstip van deze nieuwe beslissing valt binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging. De machtiging is immers verleend tot en met 28 februari 2025. Op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad moet in dit geval de rechtbank haar beslissing nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die nieuwe beslissing voordoen.
3.2.
Op basis van (andere) rechtspraak van de Hoge Raad moet de mondelinge behandeling van het verzoek na terugwijzing plaatsvinden binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad. De rechtbank constateert dat dat in deze zaak niet het geval is. Na de mondelinge behandeling moet de rechtbank wederom binnen vier weken uitspraak doen. Rekening houdend met deze termijnen moet de rechtbank uiterlijk 20 december 2024 uitspraak doen (acht weken na 25 oktober 2024). Omdat de rechtbank binnen deze termijn uitspraak heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat hiermee overschrijding van de termijn van de zitting voldoende is gecompenseerd.
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Er is namelijk niet aan de voorwaarden van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voldaan. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis. Dit blijkt voor de rechtbank uit de medische verklaring die bij het oorspronkelijke verzoek is overgelegd in samenhang met de second opinion. De second opinion bevestigt de in de eerdere medische verklaring gestelde diagnose. In de second opinion staat namelijk dat bij bestudering van het dossier er gezien de omschreven symptomen en het daaruit voorkomende gedrag geen reden is om te twijfelen aan het manisch psychotische beeld waarmee betrokkene bij [instelling] is opgenomen en daarmee aan haar bipolaire kwetsbaarheid en psychosekwetsbaarheid. In de second opinion staat verder beschreven dat uit de (hetero)anamnese en uit de eigen observaties van het [naam] blijkt dat de huidige behandeling een goed en stabiliserend effect heeft, omdat bij opname in het [naam] geen sprake meer was van manische psychose en deze verbetering in tijd sterk samenhangt met het starten van de behandeling met olanzapine.
3.5.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat vooral uit maatschappelijke teloorgang.
3.6.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
3.7.
Het is echter niet nodig om de benodigde zorg in een verplicht kader te geven. Het gaat een stuk beter met betrokkene dan toen betrokkene net was opgenomen. Betrokkene is inmiddels naar een open groep gegaan en neemt vrijwillig de medicatie. Betrokkene wil dat ook blijven doen en de behandelaren zien het zitten om met betrokkene verder te gaan zonder verplicht kader. Een zorgmachtiging is daarom niet langer nodig.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Minkjan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.