De officier van justitie verzocht op 12 februari 2024 om een zorgmachtiging voor betrokkene voor twaalf maanden. De rechtbank kende deze toe op 29 februari 2024, met een geldigheidsduur tot 28 februari 2025. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, waarna de Hoge Raad de zaak terugwees naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.
De rechtbank ontving een second opinion van een psychiater die de eerdere diagnose bevestigde: betrokkene lijdt aan een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een bipolaire stemmingsstoornis met psychotische component. De behandeling met medicatie heeft een stabiliserend effect en betrokkene is inmiddels overgegaan naar een open groep en neemt vrijwillig medicatie.
De rechtbank concludeert dat hoewel er sprake is van een ernstige psychische stoornis met ernstig nadeel, de zorg in een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De voorwaarden voor verplichte zorg zijn niet vervuld, waardoor het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging wordt afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.