Verzoeker diende bezwaar in tegen een besluit van het UWV Bureau Tewerkstellingsvergunningen en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening, zodat hij behandeld zou worden alsof hij in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning tijdens de bezwaarprocedure.
Het UWV bood aan om onder intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening alsnog een tewerkstellingsvergunning te verstrekken, waarna verzoeker zijn verzoek introk en een proceskostenvergoeding eiste. Het UWV reageerde niet op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV door het uitblijven van verweer instemde met vergoeding van de proceskosten. De proceskosten werden vastgesteld op €875, conform het toepasselijke puntensysteem.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.