ECLI:NL:RBMNE:2024:7492

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 september 2024
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
AWB 24/626
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening tewerkstellingsvergunning

Verzoeker diende bezwaar in tegen een besluit van het UWV Bureau Tewerkstellingsvergunningen en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening, zodat hij behandeld zou worden alsof hij in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning tijdens de bezwaarprocedure.

Het UWV bood aan om onder intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening alsnog een tewerkstellingsvergunning te verstrekken, waarna verzoeker zijn verzoek introk en een proceskostenvergoeding eiste. Het UWV reageerde niet op dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV door het uitblijven van verweer instemde met vergoeding van de proceskosten. De proceskosten werden vastgesteld op €875, conform het toepasselijke puntensysteem.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €875 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/626

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

UWV Bureau Tewerkstellingsvergunningen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op niet gereageerd op dit verzoek.
Verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. [1]

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 3 januari 2024 een besluit genomen. Verzoeker heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend en heeft daarnaast de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in bezit van een tewerkstellingsvergunning tijdens de behandeling van het bezwaar.
2. Op 27 februari 2024 heeft verweerder medegedeeld dat hij bij de gemachtigde van eiser heeft nagevraagd of eiser onder intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening een tewerkstellingsvergunning wil ontvangen. Verzoeker heeft daarna het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Verweerder heeft hiermee gedaan wat verzoeker wilde.
3. De voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). [2]
4. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. Verweerder zal de proceskosten van verzoeker dus moeten betalen.
5. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2024.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure.