Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn bovenwoning uit 1904, gelegen aan een adres in [plaats], welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €453.000 en na bezwaar verlaagd naar €420.000.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op 25 november 2024, waarbij eiser niet is verschenen. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overlegd met drie vergelijkbare woningen die recentelijk in dezelfde gemeente zijn verkocht. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen.
Eiser stelde dat onvoldoende rekening is gehouden met de verouderde staat van de woning en dat de WOZ-waarde te sterk is gestegen ten opzichte van landelijke stijgingen en vergelijkbare woningen. De rechtbank volgt deze argumenten niet, omdat de waardebepaling marktconform is en de vergelijkingen met andere woningtypen niet relevant zijn.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde van €420.000 blijft gelden. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es – de Vries op 10 december 2024.