ECLI:NL:RBMNE:2024:7602

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
UTR 24/1647-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken machtiging ongegrond verklaard

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van een gemachtigde tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep door de rechtbank op 9 oktober 2024. De niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op het ontbreken van een machtiging waaruit blijkt dat de gemachtigde bevoegd was om namens de opposante op te treden.

Tijdens de zitting op 11 december 2024 lichtte de gemachtigde toe dat hij de familie al tientallen jaren kent en de belangen van de opposante behartigt, die lijdt aan Alzheimer. Ondanks zijn principiële weigering om de machtiging te overleggen, erkende hij wel dat hij over een machtiging beschikt. De rechtbank stelde vast dat de wettelijke vereisten, waaronder het overleggen van een machtiging op grond van artikel 8:24 Awb Pro, niet waren nageleefd.

De rechtbank gaf aan begrip te hebben voor de situatie van de opposante, maar benadrukte dat zij gebonden is aan de wet. Gezien het ontbreken van een machtiging en het feit dat de gemachtigde geen nieuwe gronden aanvoerde om de eerdere beslissing te herzien, verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de uitspraak van 9 oktober 2024.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken van een machtiging is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1647-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 op het verzet van

[oppossante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: H.W.M. van Mil ),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat de gestelde gemachtigde heeft ingediend, namens
[oppossante] , tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap van 7 juni 2023, verzonden op 11 juni 2023.
In de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De gestelde gemachtigde is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. De gestelde gemachtigde is verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen machtiging is aangeleverd waaruit blijkt dat de gestelde gemachtigde daadwerkelijk gemachtigd is om namens [oppossante] beroep in te dienen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of van Mil gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 9 oktober 2024 niet juist was.
3. Volgens de gestelde gemachtigde is de uitspraak van de rechtbank van 9 oktober 2024 niet juist, omdat hij niet gehoord is op een zitting. Tijdens de zitting in de verzetprocedure heeft hij toegelicht dat hij de familie [familie] al tientallen jaren kent en dat hij de zaken van [oppossante] waarneemt. Mevrouw [A] is 77 jaar en lijdt aan Alzheimer. Hij vindt het ongekend, door de relatie die hij heeft met de familie [familie] en gelet op het feit dat er in de bezwaarprocedure ook niet om een machtiging is gevraagd, dat hij voor de beroepsprocedure wel een machtiging moet overleggen. Hij geeft aan wel over een machtiging te beschikken, maar wil deze om principiële redenen niet overleggen aan de rechtbank.
4. De rechtbank stelt vast dat bij het beroepschrift geen machtiging is meegestuurd. Op grond van artikel 8:24 van Pro de Awb kan de rechtbank een machtiging verlangen van degene die stelt als gemachtigde op te treden. In artikel 6:6 van Pro de Awb staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen. Daarom is de gestelde gemachtigde op basis van artikel 6:6 van Pro de Awb meerdere malen in gelegenheid gesteld een machtiging te overleggen, waarbij hem is gewezen op de consequentie van het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep indien aan dit verzoek niet wordt voldaan.
5. De rechtbank heeft begrip voor de situatie die de gestelede gemachtige tijdens de verzetzitting weergeeft en waardeert de moeite die hij onderneemt om de belangen van [familie] waar te nemen, maar is anderzijds gebonden aan de wet en die verlangt in voorliggende gevallen een machtiging. Het ontbreken van een machtiging klemt te meer omdat het hier om een bejaarde vrouw gaat die lijdt aan Alzheimer. De principiële opstelling van de gestelde gemachtigde, die wel over een machtiging zegt te beschikking, staat in de weg aan de toepassing van de wet door de rechtbank.
6. Voor het overige heeft van Mil in verzet niets aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de rechtbank de beroepsprocedure ten onrechte vereenvoudigd heeft afgedaan.
7. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 9 oktober 2024 blijft in stand.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.