Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de gemeente IJsselstein, maar dit beroep werd op 9 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Tegen deze uitspraak ging opposant in verzet. De rechtbank hield op 11 december 2024 een zitting waar geen partijen verschenen.
Opposant voerde aan dat hij door ernstige hartklachten en een daaropvolgende hartkatheterisatie tijdelijk niet in staat was zijn juristenpraktijk te voeren en daardoor het griffierecht niet tijdig kon betalen. De rechtbank stelde vast dat opposant de herinneringsnota per aangetekende brief op 1 november 2023 ontving en tot eind november 2023 de tijd had om het griffierecht te voldoen.
De rechtbank oordeelde dat opposant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wanneer de hartkatheterisatie plaatsvond en dat hij de rechtbank niet heeft geïnformeerd over zijn situatie of hulp heeft ingeschakeld. Gezien de strikte regels omtrent griffierechten en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, is het verzet ongegrond verklaard en blijft de eerdere niet-ontvankelijkverklaring in stand.