ECLI:NL:RBMNE:2024:7604
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek afkoelingsperiode in besloten akkoordprocedure wegens onvoldoende aannemelijkheid belangen schuldeisers
De besloten vennootschap [verzoekster] heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot afkondiging van een afkoelingsperiode van vier maanden in het kader van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Het verzoek was gebaseerd op het feit dat zij niet aan haar opeisbare schulden kan voldoen en een akkoord met schuldeisers wil voorbereiden.
Tijdens de zitting hebben zowel [verzoekster] als de schuldeisers [Bedrijf A] B.V. en [Bedrijf B] B.V. hun standpunten toegelicht. De schuldeisers uitten twijfels over de openheid van [verzoekster] en de financiële positie, mede vanwege een sale and leaseback van een bedrijfspand en het ontbreken van essentiële financiële stukken. Tevens werd gewezen op het risico van verslechtering van de vermogenspositie.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de noodzaak voor een afkoelingsperiode aannemelijk was gemaakt, onvoldoende duidelijkheid bestond over de financiële prognoses, de concrete stappen richting een akkoord en de waarborging van belangen van schuldeisers. De onzekerheid en het ontbreken van een realistisch plan leidden tot de conclusie dat niet aan de vereisten voor toewijzing van de afkoelingsperiode was voldaan.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van belangenbehartiging voor schuldeisers.