Uitspraak
1.De procedure
- het wrakingsverzoek van 25 januari 2024,
- de schriftelijke reactie van mr. R.M. Maliepaard (verder: de rechter) van 26 januari 2024.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in twee civiele zaken, omdat zij vond dat haar verzoek om uitstel van de zitting ten onrechte was geweigerd. Zij stelde dat zij onvoldoende tijd had gekregen om zich voor te bereiden, mede doordat zij pas laat op de hoogte was gesteld van de behandeling van beide zaken op dezelfde datum en haar juridisch adviseur zich had teruggetrokken.
De rechter had het uitstelverzoek afgewezen omdat het spoedeisend belang van de zaak, met name het belang van de dochter van verzoekster, zwaarder woog dan het belang van verzoekster om een nieuwe advocaat te zoeken. De wrakingskamer oordeelde dat een als negatief ervaren procesbeslissing geen grond is voor wraking, tenzij deze beslissing objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien.
Na beoordeling concludeerde de wrakingskamer dat de beslissing tot weigering van uitstel een zorgvuldige belangenafweging betrof en niet getuigt van vooringenomenheid. De kamer verklaarde het wrakingsverzoek daarom ongegrond en bepaalde dat de procedures in de oorspronkelijke stand voortgezet moeten worden. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is ongegrond verklaard en de procedures worden voortgezet.