8.3Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging en bedreiging van verschillende slachtoffers uit zijn directe omgeving, namelijk zijn moeder, zijn stiefvader en zijn ex-vrouw. Hij heeft gedurende enkele maanden veelvuldig berichten naar hen gestuurd met een intimiderende inhoud. Dit moet voor de slachtoffers zeer belastend en angstaanjagend zijn geweest en verdachte heeft daarmee een forse inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank gekeken naar een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 2 februari 2024. Daaruit volgt dat verdachte in 2016 door de politierechter onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer bedreiging in de huiselijke sfeer. Omdat dit een veroordeling is van langer dan vijf jaar geleden, zal de rechtbank deze niet in strafverzwarende zin meewegen bij de strafoplegging.
Wat wel in belangrijke mate meeweegt, is de lange hulpverleningsgeschiedenis die verdachte heeft.
In het rapport van de GZ-psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 januari 2024 is te lezen dat verdachte al vanaf zijn vierde jaar bekend is met hulpverlening. Op jonge leeftijd is al de diagnose ADHD gesteld. Vanaf zijn veertiende jaar gebruikte hij verdovende middelen en in 2012, toen hij 17 jaar oud was, is hij uit huis geplaatst.
De psycholoog heeft nu opnieuw geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van ADHD en een stoornis in het gebruik van speed en cannabis. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval. Deze psychische stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en daarom adviseert de psycholoog om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De psycholoog heeft toegelicht dat de laatste jaren de spanningen in zijn relatie toenamen. Met name na de geboorte van zijn dochter kon verdachte alles steeds minder goed overzien. Dat past bij ADHD. Hij gebruikte in toenemende mate drugs, hetgeen kan worden beschouwd als een vorm van zelfmedicatie en een gemankeerd copingmechanisme. Zijn ontregeling werd hierdoor versterkt.
De psycholoog schat het risico op recidive zonder passende hulpverlening in als matig tot hoog, zeker als verdachte onder invloed is.
De psycholoog is van mening dat een intensieve en gestructureerde vorm van behandeling noodzakelijk is, te weten een klinische behandeling in een forensische kliniek. Dat kan een verslavingskliniek zijn, maar dat hoeft niet per se. Het is vooral noodzakelijk dat zijn copingvaardigheden worden uitgebreid en dat er aandacht is voor het verbeteren van zijn inpulscontrole en emotie- / agressieregulatie. Dit kan ook in een ‘reguliere’ forensische kliniek. Behandeling van de ADHD en het goed instellen op medicatie zijn ook essentieel. Lopende de behandeling zal ook aandacht moeten zijn voor sociaal-maatschappelijke problemen en zal moeten worden toegewerkt naar stapsgewijze resocialisatie, bijvoorbeeld door middel van begeleid wonen.
De psycholoog adviseert de hulpverlening vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf met toezicht door de reclassering.
De moeder van verdachte is als referent door de psycholoog benaderd. Zij heeft, ondanks de ernstige bedreigingen, veel positieve eigenschappen van verdachte benoemd. Zij heeft ook benoemd dat verdachte door die positieve eigenschappen een hoge gunfactor heeft, maar dat hij zijn toezeggingen vaak niet kan waarmaken. Het doel van haar aangifte was niet direct strafrechtelijk. Ze is vooral uit op rust voor haar familie en de ex-vrouw van verdachte en ze wil daarnaast dat verdachte zo goed mogelijk geholpen wordt met zijn geestelijke gezondheid. Zij ziet in dat dit in een vrijwillig kader onvoldoende van de grond komt.
De reclassering heeft in haar rapport van 30 januari 2024 bevestigd dat sprake is van een hoog recidive risico. Ook heeft de reclassering twijfels geuit over de haalbaarheid van reclasseringstoezicht binnen het kader van een voorwaardelijke veroordeling, omdat verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis tweemaal de voorwaarden heeft overtreden. De schorsing van de voorlopige hechtenis is om die reden ook tweemaal opgeheven. Nu uit het recente rapport van de psycholoog echter blijkt dat er interventiemogelijkheden zijn om de problemen van verdachte aan te pakken en hiermee een duurzame gedragsverandering te bewerkstelligen, is de reclassering van mening dat een traject zoals beschreven in de geadviseerde bijzondere voorwaarden een kans moet krijgen. Deze bijzondere voorwaarden houden in het kort in:
- meldplicht bij de reclassering;
- opname in een zorginstelling;
- ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname;
- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- contactverbod met [slachtoffer 3] ;
- dagbesteding;
- meewerken aan schuldhulpverlening;
- meewerken aan middelen controle.
De reclassering adviseert om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren en daaraan toezicht door de reclassering te koppelen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij graag wil worden geholpen en dat hij bereid is de geadviseerde bijzondere voorwaarden na te leven.
De rechtbank leest in het rapport van de reclassering en de woorden van de moeder van verdachte twijfels over de haalbaarheid van het naleven van de geadviseerde bijzondere voorwaarden door verdachte, ondanks zijn uitdrukkelijke toezegging ter zitting dat hij deze voorwaarden wil naleven in het belang van zijn hulpvelening. Toch wil de rechtbank verdachte een kans geven en zal zij de adviezen volgen. Indien verdachte zich zal houden aan de voorwaarden, zal dit immers in belangrijke mate bijdragen aan het terugdringen van het recidiverisico en aan een duurzame gedragsverandering bij verdachte.
De geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen moeten worden gekoppeld aan een (deels) voorwaardelijke straf. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Aan de andere kant houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich al aanzienlijke tijd in voorlopige hechtenis bevindt, de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat een klinische opname noodzakelijk zal zijn als onderdeel van de behandeling van de psychische problemen van verdachte.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank net als de officier van justitie van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf van verdachte lang genoeg heeft geduurd. De ernst van de feiten en de aard en omvang van de geadviseerde bijzondere voorwaarden vragen naar het oordeel van de rechtbank wel om een zwaardere stok achter de deur dan de door de officier van justitie gevorderde 30 dagen vervangende hechtenis.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 310 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden merkt de rechtbank nog op dat zij geen aanleiding ziet de duur van de mogelijke klinische opname te beperken tot een half jaar. Duidelijk is dat verdachte te maken heeft met een forse problematiek waarvoor uitgebreide behandeling noodzakelijk is. Om tot een goede afloop van deze behandeling te komen, zal voldoende tijd moeten worden uitgetrokken. Het belang van een goede afloop van deze behandeling gaat voor het belang van het behoud van de woning van verdachte. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte na afloop van de klinische opname nog zal moeten verblijven op een locatie voor begeleid wonen.
Voor zover als onderdeel van de ambulante behandeling nog een kortdurende klinische opname nodig wordt geacht door de reclassering, zal een procedure tot wijziging van de bijzondere voorwaarden nodig zijn.
De rechtbank zal het geadviseerde contactverbod niet als bijzondere voorwaarde opleggen, maar als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Dat zal zij hierna verder toelichten.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Verdachte wordt veroordeeld voor bedreigingen en stalking. Daarmee is geweld toegedaan aan de persoonlijke vrijheden van de slachtoffers. Zij waren angstig voor het onberekenbare gedrag van verdachte. Op basis van de conclusies uit de rapporten van de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen indien hij niet de juiste behandeling en hulpverlening krijgt. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zal worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Contactverbod art. 38v Wetboek van Strafrecht
Daarnaast zal de rechtbank – eveneens op basis van de conclusies uit de rapporten van de psycholoog en de reclassering – voor het voorkomen van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen en bevelen dat verdachte zich onthoudt van contact met [slachtoffer 3] .
De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van drie jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden opgelegd van zeven dagen voor iedere keer dat verdachte niet voldoet aan deze maatregel, met een maximum duur van zes maanden (180 dagen). De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 3] . Daarom zal zij bevelen dat ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.