Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
Betreft: ontslag op staande voet wegens niet terugkeren naar werkplek
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster was sinds 2018 in dienst bij verweerder en had sinds juni 2023 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na een vakantie in Marokko keerde zij later terug dan gepland vanwege het verlopen van haar verblijfsvergunning. Verweerder sprak op 6 september 2023 ontslag op staande voet uit wegens niet terugkeren naar het werk.
Verzoekster betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en verzocht om vernietiging van het ontslag en diverse vergoedingen. Verweerder stelde dat sprake was van non-actiefstelling en vroeg om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van verzoekster.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om een dringende reden aan te tonen. Er waren geen duidelijke afspraken over de verlofperiode en het niet terugkeren na vakantie vormde geen dringende reden.
Verweerder werd veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van €3.224,58 en een transitievergoeding van €2.862,74, beide met wettelijke rente. De gevraagde billijke vergoeding werd afgewezen omdat het verwijtbaar handelen mede aan verzoekster zelf te wijten was en zij reeds voldoende gecompenseerd werd.
Het tegenverzoek van verweerder tot ontbinding behoefde geen beslissing meer nu de arbeidsovereenkomst per 6 september 2023 was geëindigd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €1.058.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; toekenning van transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding afgewezen.