De zaak betreft een geschil tussen een leverancier en een gecertificeerde arbodienst over de nakoming van een overeenkomst van opdracht tot verzuimbegeleiding. De werknemer van de leverancier viel uit en de arbodienst begeleidde het verzuim. Na 104 weken ziekte kreeg de werknemer geen WIA-uitkering vanwege een loonsanctie opgelegd door het UWV, omdat de werkgever niet aan re-integratieverplichtingen zou hebben voldaan.
De leverancier stelde de arbodienst aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit deze loonsanctie, stellende dat de arbodienst tekort was geschoten in haar zorgplicht, met name door onjuiste advisering van de bedrijfsarts en onvoldoende begeleiding door de adviseur. De arbodienst betwistte dit en stelde dat zij slechts een inspanningsverplichting had, geen resultaatsverplichting, en dat de bedrijfsarts redelijk heeft gehandeld.
De rechtbank oordeelde dat de arbodienst niet tekort is geschoten. Er was sprake van intensieve verzuimbegeleiding met meerdere evaluaties en overlegmomenten. De bedrijfsarts heeft op basis van medische informatie zorgvuldig geadviseerd. De adviseur heeft de werkgever tijdig geadviseerd een deskundigenoordeel aan te vragen. Het feit dat het UWV een ander oordeel had en een loonsanctie oplegde, betekent niet automatisch dat de arbodienst haar zorgplicht heeft geschonden.
De vordering tot schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten werd afgewezen. De eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd uitgesproken op 28 februari 2024 door de rechtbank Midden-Nederland.