ECLI:NL:RBMNE:2025:1086

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
16-297832-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 165 WVWArt. 7 WVW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van gestelde termijn bij overtreding bekendmaking bestuurder

De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het niet voldoen aan de verplichting om binnen een gestelde termijn de naam en het adres van de bestuurder van zijn voertuig bekend te maken, zoals vereist in artikel 165 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

De officier van justitie stelde dat verdachte op de hoogte was van de vordering, omdat aangetekende brieven waren afgehaald en een vordering door de brievenbus was gedaan. De verdediging voerde aan dat niet is vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk kennis had van de inhoud van de vordering en dat niet is gebleken dat een termijn van minimaal 48 uur was gesteld, zoals wettelijk vereist.

De kantonrechter oordeelde dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat een termijn is gesteld en dat de precieze inhoud van de vorderingen niet duidelijk is. Omdat het stellen van een termijn een wezenlijk onderdeel is van de delictsomschrijving, kon het tenlastegelegde niet worden bewezen.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde overtreding van artikel 165 WVW Pro.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat een termijn van minimaal 48 uur is gesteld voor de bekendmaking van de bestuurder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-297832-24
Vonnis van de kantonrechter van 6 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [woonplaats] .

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van donderdag 20 februari 2025.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.D. Pel en van hetgeen gemachtigd advocaat mr. T.J.N. Hameleers naar voren heeft gebracht. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging luidt als volgt:
Dat hij te Utrecht, in elk geval in Nederland, als eigenaar of houder van een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [kenteken] , - waarmee op of omstreeks 21 mei 2022 te Utrecht op de Graadt van Roggenweg een bij de Wegenverkeerswet 1994 als misdrijf strafbaar gesteld feit, te weten overtreding van artikel 7 van Pro genoemde Wet, werd begaan door een bij ontdekking van dat feit onbekend gebleven bestuurder - niet heeft voldaan aan de verplichting om op de hem, op 3 en 20 juni 2022 schriftelijk gedane vordering van de in artikel 159 van Pro genoemde wet bedoelde pers(o)on(en), binnen de door deze daarin gestelde termijn van tenminste 48 uur, te weten voor 23 juni 2022, de naam en het volledige adres van bovenbedoelde bestuurder bekend te maken, immers had hij op 17 augustus 2022, nog niet aan deze verplichting voldaan.

3.VOORVRAGEN

De dagvaartding is geldig, de kantonrechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Vrijspraak

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en voert daartoe het volgende aan: op 3 juni 2022 en 20 juni 2022 zijn vorderingen verzonden per aangetekende brief. Na het uitblijven van een reactie is de verbalisant op 1 juli 2022 tweemaal bij verdachte aan de deur geweest en heeft hij een vordering door de brievenbus gedaan. De verbalisant heeft geen reactie van verdachte mogen ontvangen. Uit het procesdossier volgt dat de vorderingen conform artikel 165 WVW Pro zijn gedaan, er hoeft dus niet getwijfeld te worden aan de inhoud van die vorderingen.
Uit het dossier blijkt verder dat de aangetekende brieven zijn opgehaald door iemand die voor de brieven heeft getekend met de letter “ [letter] ”. Hoewel de handtekening van de afhaler niet helemaal overeenkomt met de handtekening van verdachte betreft de letter “ [letter] ” wel de eerste letter van de naam van verdachte. Voorts is het van belang om rekening te houden met het feit dat aangetekende post alleen afgehaald kan worden na het tonen van een geldig identiteitsbewijs. Het voorgaande maakt dat er voldoende bewijs is dat verdachte van de vordering op de hoogte is geweest maar ervoor heeft gekozen om niet te reageren.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde overtreding en heeft het volgende bepleit: verdachte is niet bekend geworden met de vordering en niet is gebleken wat de inhoud van de gedane vordering is geweest. Onduidelijk is of de vordering voldoet aan de vereisten van het bepaalde in artikel 165 WVW Pro. Artikel 165 WVW Pro stelt dat er een termijn van tenminste 48 uur geboden moet worden waarbinnen een verdachte aan de vordering moet voldoen. Uit het dossier in deze zaak volgt niet dat er een (soortgelijke) termijn door de verbalisant is gesteld. Daarnaast volgt enkel uit het dossier dat er twee vorderingen per aangetekende brief zijn verzonden en dat er op een later moment een vordering door de brievenbus is gedaan. Niet blijkt dat deze vorderingen verdachte ook daadwerkelijk hebben bereikt. Nu de vordering verdachte niet heeft bereikt en onduidelijk is of de vordering voldoet aan de gestelde eisen kan verdachte niet strafbaar worden bevonden aan het ten laste gelegde feit.
4.3
Het oordeel van de kantonrechter
Verdachte wordt verweten dat hij niet heeft voldaan aan de vordering om bekend te maken wie in zijn auto reed, toen de bestuurder van deze auto zich (mogelijk) schuldig maakte aan het misdrijf verlaten plaats ongeval (artikel 7 WVW Pro).
Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat de vordering twee keer per aangetekende post is verzonden en dat een verbalisant eenmaal zelf de vordering op het BRP-adres van verdachte heeft achtergelaten. De vorderingen zelf zitten niet in het dossier. Daarnaast kan uit het proces-verbaal van bevindingen niet de precieze inhoud van de vordering(en) worden opgemaakt. Weliswaar is geverbaliseerd dat het gaat om ‘een vordering terzake artikel 165 WVW Pro vanwege bekendmaking bestuurder’, maar uit het proces-verbaal volgt niet dat aan verdachte een termijn is gesteld voor de bekendmaking van de gegevens, laat staan dat duidelijk is welke termijn dan is gesteld. Dit volgt ook niet uit enig ander stuk dat zich in het dossier bevindt.
Het stellen van een termijn (van minimaal 48 uren) wordt voorgeschreven door artikel 165 lid 1 WVW Pro. Het niet
binnen die termijnreageren is een wezenlijk onderdeel van de delictsomschrijving en de tenlastelegging. Nu niet vastgesteld kan worden of er een termijn is gesteld en wat die termijn dan is geweest, kan de kantonrechte het tenlastegelegde niet bewijzen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken.

5.BESLISSING

De kantonrechter:
verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, kantonrechter, in tegenwoordigheid van B. Schelling, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2025.