ECLI:NL:RBMNE:2025:1090

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
589642 HA RK 25-40
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid afgewezen met wrakingsverbod

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in de hoofdzaak, stellende dat onvoldoende vertrouwen bestaat in de onpartijdigheid vanwege het afwijzen van een uitstelverzoek. De wrakingskamer heeft het verzoek zonder mondelinge behandeling beoordeeld, mede omdat een eerder identiek wrakingsverzoek reeds ongegrond was verklaard.

De wrakingskamer overweegt dat het afwijzen van een uitstelverzoek een procesbeslissing is die geen grond voor wraking kan vormen, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid, wat hier niet is vastgesteld. Het verzoeker lukt niet aannemelijk te maken dat de rechter partijdig is of de schijn daarvan wekt.

Daarnaast concludeert de wrakingskamer dat verzoeker met zijn herhaalde wrakingsverzoeken en uitstelverzoeken misbruik maakt van het wrakingsmiddel om de behandeling van de hoofdzaak te vertragen. Daarom wordt een wrakingsverbod opgelegd, waardoor een volgend wrakingsverzoek in deze procedure niet in behandeling wordt genomen.

De wrakingskamer draagt op dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet en dat deze beslissing aan alle betrokken partijen wordt medegedeeld. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard en een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van het wrakingsmiddel.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 589642 HA RK 25-40
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 12 maart 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
advocaat mr. E. Doornbos, advocaat te Badhoevedorp.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 3 maart 2025 mr. D.M. Staal gewraakt. Mr. D.M. Staal (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/16/568543/ HL ZA 24-11 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De wrakingskamer heeft afgezien van een mondelinge behandeling omdat een eerder wrakingsverzoek in de hoofdzaak door de wrakingskamer ongegrond is verklaard en verzoeker aan dat verzoek hetzelfde ten grondslag had gelegd als aan zijn huidige wrakingsverzoek. Dit laatste wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer legt dat hierna uit.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
De hoofdzaak is op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Verzoeker was niet bij die zitting aanwezig, maar zijn advocaat wel. Tijdens de zitting heeft mr. Doornbos de rechter gewraakt.
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Verzoeker wil ervan uit kunnen gaan dat de rechter niet partijdig is of de schijn van partijdigheid
heeft. Op dit moment kan een cruciaal bericht van zijn telefoon niet worden ingediend. Daarom is om uitstel gevraagd. Dat verzoek is afgewezen door de rechtbank. Eerder heeft de rechtbank
wel de mondelinge behandeling uitgesteld zonder opgave van reden. Het is onbegrijpelijk
dat, zeker nu uitdrukkelijk is aangegeven dat het om een kort uitstel gaat, de zaak niet wordt uitgesteld. Daarom is er onvoldoende vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechter.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer: het wrakingsverzoek is kennelijk ongegrond
3.3.
De wrakingskamer overweegt dat de beslissing van de rechter om de mondelinge behandeling niet uit te stellen, een procesbeslissing is. Het is vaste rechtspraak dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich mee brengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing en ook niet over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hetzelfde geldt voor de motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing, ook als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is alleen anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. [1]
3.4.
Het enkele feit dat de rechtbank het uitstelverzoek van verzoeker heeft afgewezen, kan dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de rechter vooringenomen is. Dat verzoeker hierdoor een – in zijn ogen – cruciaal bericht van zijn telefoon niet kan indienen en dat verzoeker slechts een kort uitstel nodig heeft, is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de rechter eerder wel de mondelinge behandeling heeft uitgesteld. Deze omstandigheden kan verzoeker desgewenst in een eventueel hoger beroep voorleggen aan de hoger beroepsrechter.
3.5.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
De wrakingskamer legt een wrakingsverbod op
3.6.
Verzoeker heeft in de hoofdzaak eerder een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is op 26 november 2024 door de wrakingskamer ongegrond verklaard. Verzoeker heeft aan dat wrakingsverzoek dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan zijn huidige wrakingsverzoek. De wrakingskamer overweegt dat verzoeker met zijn (herhaalde) uitstelverzoek kennelijk probeert te bewerkstelligen dat de behandeling van de hoofdzaak dusdanig wordt vertraagd, dat hij alsnog de kans krijgt het bericht van zijn telefoon in te dienen. Verzoeker maakt hiermee misbruik van het wrakingsmiddel. De wrakingskamer legt daarom een wrakingsverbod op aan verzoeker op grond van artikel 39, vierde lid, Rv. Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedure met zaaknummer C/16/568543/ HL ZA 24-11 niet in behandeling wordt genomen. De reden hiervoor is dat moet worden voorkomen dat verzoeker de behandeling van de hoofdzaak (verder) vertraagt door opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het wrakingsverzoek ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/568543/ HL ZA 24-11 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met het zaaknummer C/16/568543/ HL ZA 24-11 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. N.A.J. Purcell en mr. J.R. Hurenkamp als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.