Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
de rechtbank begrijpt: verdachte)languit op de bank lag. Ik vroeg direct aan hem wat hij gedaan had. Ik hoorde hem zeggen dat hij een kat in de brand gestoken had. Ik zag dat [verdachte] naar buiten wees naar de kat. Ik zag dat de kat inderdaad in de brand stond. Ik ben direct naar buiten gelopen en heb de kat opgepakt en in de vijver in de tuin gedompeld. Ik zag dat de kop en het lijf van de kat in de brand stond. [2]
de rechtbank begrijpt: verdachte)in de woning. Op een gegeven moment hoorde ik beneden in de woning allerlei geluiden. Ik ging gelijk met mijn moeder naar beneden. Ik zag dat de woonkamer onder de rook stond. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Ik heb de kat in de fik gestoken." [3]
de rechtbank begrijpt: de spuitbus met R-Clean RVS 17). Ik heb een aansteker in de woning gebruikt. De kat rende door de woonkamer heen (
de rechtbank begrijpt: nadat de kant in brand stond).
hebben gerend, zouden deze ook in brand hebben kunnen raken. Een dergelijke brand zou snel oncontroleerbaar groot kunnen geworden. Wanneer er brand in de woonkamer ontstaat, is er gevaar te duchten voor goederen in deze woning. De personen die op de bovenverdieping van de woning lagen te slapen liepen ook het risico om (dodelijke) slachtoffers van de brand te worden. Enerzijds door de rook die wordt geproduceerd, waarin zich koolmonoxide bevindt, en mogelijk ook anderzijds door de hitte van de brand die naar slaapkamers op de bovenverdieping trekt. [6]
per ongelukbrand zou hebben gevat op een cruciaal onderdeel onmogelijk. Als de hand van verdachte geen vlam kan hebben gevat, kon een daaruit voortvloeiende schrikreactie voor hem ook geen reden geweest kunnen zijn om een brandende aansteker van zich af te gooien.
voorhet incident op internet heeft gezocht naar ‘Kat vergiftigen’, wat er ook sterk op duidt dat hij die avond erop uit was een kat iets aan te doen.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 33, 33a, 57 en 157, van het Wetboek van Strafrecht en
- 2 van de Wet dieren
11.BESLISSING
een gevangenisstrafvan
8 maanden;
in minderingzal worden gebracht;