Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:1109

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
UTR 23/3417
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 4 Wet op de rechterlijke indelingArt. 2.5 lid 4 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst bestuursrechtelijke schadefondszaak door

Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een vergoeding, welke door het fonds werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. Tijdens de zitting op 10 maart 2025 werd vastgesteld dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is omdat eiser woonachtig is in een andere gemeente.

De wet bepaalt dat het beroep moet worden behandeld door de rechtbank in het rechtsgebied van de woonplaats van de indiener van het beroepschrift. De rechtbank Midden-Nederland draagt daarom de zaak over aan de rechtbank die bevoegd is op grond van de woonplaats van eiser. Eiser heeft het griffierecht reeds voldaan, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter S.T. Könning en griffier P. Molenaar op 19 maart 2025. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank Midden-Nederland verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak door naar de bevoegde rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3417

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

Schadefonds Geweldsmisdrijven, het schadefonds

(gemachtigden: mr. Y. Langerak en mr. Y. Pieters).

Inleiding

1. Eiser heeft het schadefonds verzocht om een vergoeding uit te keren. Het schadefonds heeft de aanvraag met het besluit van 29 juli 2020 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar ingesteld en met de beslissing op bezwaar van 25 mei 2023 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser op 3 juli 2023 beroep ingesteld. Het schadefonds heeft een verweerschrift ingediend.
2. De rechtbank heeft de zaak op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Hierbij was eiser aanwezig, het schadefonds werd vertegenwoordigd door diens gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank is niet bevoegd om het beroep te behandelen. De reden daarvoor is dat eiser op het moment van het indienen van het beroepschrift in de gemeente [woonplaats] woonde. De wet bepaalt voor zaken zoals deze dat het beroep behandeld moet worden door de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. [1] De gemeente [woonplaats] valt binnen het rechtsgebied van de rechtbank [woonplaats] en dus is die rechtbank bevoegd om dit beroep te behandelen. [2]
4. Op de zitting is besproken dat het ook de voorkeur van eiser heeft dat zijn beroep door de bevoegde rechtbank wordt behandeld.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank Midden-Nederland is onbevoegd en draagt de zaak over aan de rechtbank [woonplaats], met de mededeling dat eiser het griffierecht van € 184,- al heeft betaald. [3] Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze uitspraak geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat het beroepschrift en het verweerschrift met de daarbij behorende stukken ter behandeling worden doorgezonden aan de rechtbank [woonplaats].
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T. Könning, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.
de griffier is verhinderd om te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 4 van Pro de Wet op de rechterlijke indeling.
3.Zie artikel 2.5, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025.