AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling en voortzetting hulpverlening voor minderjarige
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 9 maart 2026. De minderjarige woont bij zijn moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. De situatie thuis is nog niet veilig en stabiel genoeg vanwege de problematiek van de moeder en een verstoorde relatie tussen moeder en kind.
De GI heeft hulpverlening ingezet via Praktijk Valida en Samen Sterk, maar de doelen zijn nog niet behaald. De minderjarige gaat niet naar school en het contact met de vader verloopt wisselend. De GI vindt het noodzakelijk de hulpverlening via Samen Sterk voort te zetten en uit te breiden, omdat dit de ontwikkeling van de minderjarige bevordert. De moeder stemt in met het verzoek en uit zorgen over het welzijn van haar kind.
De kinderrechter stelt vast dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BWPro is voldaan. De hulpverlening via Samen Sterk wordt passend geacht en uitbreiding van de uren wordt noodzakelijk geacht. De kinderrechter wijst erop dat nader onderzoek door de gemeente Lelystad niet wenselijk is vanwege stagnatiegevaar. Ook wordt het belang van schoolgang en contact met de vader benadrukt.
De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vader is opgeroepen maar niet verschenen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 9 maart 2026 en de hulpverlening via Samen Sterk wordt voortgezet en uitgebreid.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/588149 / JL RK 25-76
Datum uitspraak: 4 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Almere,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E. Lucas te Lelystad.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Lucas;
- de heer [A] namens de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
2.De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] woont bij zijn moeder.
3. De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 februari 2024 [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 9 maart 2025.
4.Het verzoek
4.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI naar voren gebracht dat de situatie bij de moeder thuis nog niet voldoende veilig en stabiel is. De reden hiervan is de individuele problematiek van de moeder. De moeder neemt nog onvoldoende de ouderrol op zich. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] verstoord.
Er is hulpverlening vanuit Praktijk Valida ingezet, maar de hulp is nog onvoldoende van de grond gekomen en de gestelde doelen zijn niet behaald. Ook krijgt [minderjarige 1] begeleiding vanuit Samen Sterk. [minderjarige 1] gaat niet naar school en ten tijde van het opstellen van het verzoek was niet duidelijk wat [minderjarige 1] nodig heeft om weer naar school te gaan. Verder verloopt het contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader wisselend.
5.De standpunten
5.1.
De GI handhaaft het verzoek en heeft toegelicht dat het noodzakelijk is dat de hulpverlening voor [minderjarige 1] wordt gecontinueerd en geïntensiveerd. Samen Sterk is gedurende twee uur per week betrokken en [minderjarige 1] heeft een vertrouwensrelatie met de begeleider ( [begeleider] ) opgebouwd wat zeer helpend is. De GI vindt het noodzakelijk dat Samen Sterk betrokken blijft en in aantal uren wordt uitgebreid naar tenminste vier uren per week. Als de gemeente Lelystad hier niet in meegaat dan moet via GGZ hulpverlening worden ingeschakeld wat aanzienlijk duurder is. Daarnaast moet [minderjarige 1] weer naar school. Hij wil graag naar [school] en hierover vinden gesprekken plaats. [minderjarige 1] is enige tijd niet naar school geweest en daarin moeten ook stappen worden gezet.
5.2.
De moeder kan instemmen met het verzoek van de GI. Zij heeft grote zorgen over het welzijn van [minderjarige 1] . Hij is verdrietig omdat de vader hem niet meer komt ophalen voor de omgang. Hij begrijpt ook niet dat zijn broertje [minderjarige 2] uit huis geplaatst is. Moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] naar school gaat en dagbesteding heeft. Hij zit nu alleen maar op zijn kamer en maakt een neerslachtige indruk.
6.De beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
De kinderrechter deelt de zorgen van de GI over [minderjarige 1] en is met de GI van oordeel dat de hulpverlening via Samen Sterk moet worden gecontinueerd en in uren moet worden uitgebreid. De GI heeft gemotiveerd toegelicht dat [minderjarige 1] veel baat heeft bij de begeleiding van Samen Sterk en een uitbreiding van de uren zal leiden tot een verdere positieve ontwikkeling. Bij de GI bestaat de gerechtvaardigde vrees dat de gemeente Lelystad hieraan niet gaat meewerken, omdat de indicatie voor de hulpverlening van Samen Sterk al een aantal keren is verlengd. Het is algemeen bekend dat de gemeente Lelystad zich heeft teruggetrokken uit het samenwerkingsverband met de gemeenten Almere, Dronten en Urk over de inkoop van jeugdzorg en hierin zelf de regie wil houden. De kinderrechter vindt het niet in het belang van [minderjarige 1] dat de gemeente zelf gaat onderzoeken welke hulp hij nodig heeft. Dit leidt enkel tot stagnatie en vertraging in de hulpverlening wat de ontwikkeling van [minderjarige 1] in negatieve zin zal beïnvloeden. De kinderrechter is van oordeel dat vaststaat dat begeleiding vanuit Samen Sterk passend is voor [minderjarige 1] . De GI heeft dit immers al onderzocht en kinderrechter hecht waarde aan het standpunt van de GI als professional. De kinderrechter weegt hierbij mee dat de jeugdhulpverlener [minderjarige 1] kent en betrokken is bij het gezin, in tegenstelling tot de gemeente Lelystad .
6.3.
Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de schoolgang van [minderjarige 1] wordt geregeld en hij zo snel mogelijk kan starten bij [school] . Ook moet aandacht zijn voor het contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader. Het is voor [minderjarige 1] zeer teleurstellend dat vader het laat afweten en de omgangsregeling niet nakomt.
6.4.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar. [1]
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 9 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025 door mr. P.K. Nihot, kinderrechter, in aanwezigheid van F. Arbeider als griffier, en op schrift gesteld op
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.