In deze kortgedingprocedure vorderen eiseres partijen de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat door gedaagde is gelegd op de inkomsten van eiseres sub 1, een onderneming. Gedaagde stelt nog een vordering van ruim €289.000 te hebben, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat slechts een bedrag van €35.757,42 aannemelijk is. De overige posten, zoals alimentatie en huur, zijn onvoldoende onderbouwd of betreffen privéschulden die niet aan de onderneming kunnen worden toegerekend.
De voorzieningenrechter weegt het belang van de onderneming, die door het beslag ernstige financiële problemen ondervindt en in haar continuïteit wordt bedreigd, zwaarder dan het belang van gedaagde bij instandhouding van het beslag. Tevens is onduidelijk welke actuele vordering precies aan het beslag ten grondslag ligt en hoe hoog deze is. Daarom wordt het beslag opgeheven.
Daarnaast wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van eiseres sub 3 om gedaagde te verbieden de executie te staken of opnieuw beslag te leggen af, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd en de procedure daarvoor niet geschikt is. Gedaagde wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering in reconventie omdat hij zonder advocaat procedeert. Tot slot wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten.