ECLI:NL:RBMNE:2025:1231

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
21 maart 2025
Zaaknummer
UTR 25/638
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 11 Leerplichtwet 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlofaanvraag voor vieren Chinees Nieuwjaar in China wegens leerplicht

Verzoeker vroeg verlof aan voor zijn dochter om van 23 januari tot en met 21 februari 2025 in China Chinees Nieuwjaar te vieren. De leerplichtambtenaar wees dit verzoek op 6 januari 2025 af, waarop verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening vroeg. De voorzieningenrechter behandelde de zaak zonder zitting en sloot het onderzoek.

De rechter oordeelde dat voor de periode van 27 januari tot en met 9 februari 2025 geen toestemming nodig was vanwege een vrijstelling op grond van godsdienst of levensovertuiging, maar dat het extra verlof tot 21 februari niet kon worden toegekend. Verzoeker stelde dat het voor zijn dochter belangrijk was het feest in China mee te maken vanwege culturele redenen en familiebanden, en dat omboeken van tickets niet meer mogelijk was.

De voorzieningenrechter vond echter dat de leerplichtambtenaar terecht het verlof had geweigerd omdat het langere verblijf niet viel onder ‘andere gewichtige omstandigheden’ zoals bedoeld in de Leerplichtwet en beleidsregels. Het feit dat tickets al waren gekocht en niet konden worden omgeboekt, vormde geen geldige reden voor extra verlof. Het verzoek had daarom geen redelijke kans van slagen en werd afgewezen.

De dochter moet uiterlijk 13 februari 2025 weer op school zijn. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om verlof voor het vieren van Chinees Nieuwjaar in China is afgewezen en de dochter moet uiterlijk 13 februari 2025 weer op school zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/638

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de leerplichtambtenaar van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: N. Tates-Jansen).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag vrijstelling geregeld schoolbezoek (de verlofaanvraag) van verzoeker voor zijn dochter om in de periode van 23 januari 2025 tot en met 21 februari 2025 in China Chinees Nieuwjaar te vieren.
De leerplichtambtenaar heeft deze verlofaanvraag met het besluit van 6 januari 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De leerplichtambtenaar heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker, of de leerplichtambtenaar de verlofaanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het dossier volgt dat verzoeker voor het verlof in de periode van 27 januari 2025 tot en met 9 februari 2025 (de periode die verzoeker voor de viering Chinees Nieuwjaar noemt) geen toestemming nodig heeft. De leerplichtambtenaar gaat er vanuit gaat dat verzoeker voor die periode een beroep kan doen op een vrijstelling vanwege: “
vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging” als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder e van de Leerplichtwet 1969 (de Leerplichtwet). Daarvoor is een melding aan de directeur van de school voldoende. Verder heeft de leerplichtambtenaar geopperd dat (extra) verlof voor vijf dagen mogelijk zou kunnen zijn, maar dan zou de dochter in elk geval op 13 februari 2025 terug op school moeten zijn. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat dit de (terugkeer)datum is die in geschil is.
4. Verzoeker voert aan dat dit niet voldoende is om zijn dochter het Chinese Nieuwjaar te laten meemaken, het belangrijkste feest en integraal onderdeel van hun cultuur. Daarbij licht hij toe dat zijn dochter het Chinees Nieuwjaar nog nooit heeft meegemaakt vanwege Covid en maar één keer in China is geweest. Daarnaast mist ze haar grootouders heel erg en zij haar. Daarbij komt dat zij volgend jaar 6 jaar wordt en dan wordt scholing belangrijker. Hierdoor heeft ze geen kans meer (tot haar 18e) om Chinees Nieuwjaar in China door te brengen. Tot slot voert verzoeker aan dat hij heeft geprobeerd om de in oktober 2024 geboekte vliegtickets om te boeken. Dat lukt niet meer. Daarom is het ook onmogelijk om voor 21 februari 2025 terug te keren naar Nederland.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de leerplichtambtenaar de verlofaanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De essentie van de leerplicht, die is neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet, is de verplichting van ouders of verzorgers van een leerplichtige ervoor zorg te dragen dat hij of zij als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. In bijzondere gevallen kan daarvoor vrijstelling worden verleend. De leerplichtambtenaar heeft in het bestreden besluit en nader toegelicht in het verweerschrift dat er voor het gewenste langere verblijf in China is gekeken of dit valt onder het begrip ‘andere gewichtige omstandigheden’. Hierbij sluit zij aan bij artikel 2 van Pro de Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet (de beleidsregel). Er moet dan worden gedacht aan buiten de wil van de ouders en van het kind gelegen omstandigheden. Dat is hier niet het geval. Verzoeker heeft (naar eigen zeggen) in oktober 2024 tickets geboekt naar China, nog voor zijn verzoek om verlof was behandeld. Daarbij heeft hij gekozen voor een terugvlucht op 21 februari 2025. Hij heeft dus zelf het risico genomen dat hij te laat terug zou keren. Daarbij komt dat in de beleidsregel expliciet is opgenomen dat er geen extra verlof wordt verleend bij familiebezoek en/of omdat tickets al zijn gekocht. Er is geen reden gebleken waarom de leerplichtambtenaar van dit beleid had moeten afwijken. Verzoekers betoog dat hij het ticket voor de terugvlucht niet kan omboeken is niet een dergelijke reden. Weliswaar is in dit geval aannemelijk dat het reeds gekochte ticket niet worden omgeboekt maar het is niet aannemelijk dat onmogelijk is om een nieuw ticket naar Nederland te kopen om zo alsnog tijdig in Nederland te zijn. Verzoekers bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen. Er is ook geen andere reden gebleken die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de dochter van verzoeker op 13 februari 2025 weer naar school moet. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.