De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van een minderjarige die via de informele rechtsingang zijn wens kenbaar maakte om na de zomervakantie 2025 bij zijn vader te gaan wonen en daar naar de middelbare school te gaan. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag, waarbij het kind momenteel bij de moeder woont en om het weekend bij de vader verblijft.
De kinderrechter maakte geen gebruik van haar ambtshalve bevoegdheid om een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats of zorgregeling. De reden hiervoor was dat de wens van de minderjarige voort leek te komen uit een gevoel van onmacht en spanning tussen de ouders, die het kind klem zetten. De minderjarige kon de gevolgen van zijn wens niet goed overzien en kon niet duidelijk uitleggen waarom hij wilde verhuizen.
De rechtbank oordeelde dat het beter is dat de ouders zelf, eventueel met hun advocaten, in gesprek gaan om een betere zorgregeling te treffen. De kinderrechter gaf aan dat het niet de taak van het kind is om de zorgregeling te regelen en dat de ouders dit moeten doen in het belang van het kind. De ouders toonden begrip en waren bereid samen tot afspraken te komen.
De kinderrechter heeft de minderjarige per brief geïnformeerd over deze beslissing en benadrukte dat zijn mening belangrijk is, maar dat de verantwoordelijkheid bij de ouders ligt. Indien de ouders er niet uitkomen, kan alsnog een formele procedure worden gestart. De beschikking werd op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.