Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van één (1) maand;
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijd van twee (2) jarenvast;
taakstraf van 240 uren;
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die door verdachte ter verdediging tegen die vordering zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
(Proces-verbaalnummer: PL0900-2022367450-3), opzettelijk (geheel of ten dele) in strijd met de waarheid gerelateerd:
“Ik zag dat de verdachte zijn rechterarm omhoog en naar achter trok. Ik zag dat de verdachte van zijn hand een gebalde vuist maakte. Ik zag dat de man met zijn gebalde vuist naar mij toe liep. Ik hoorde dat de man het volgende riep:" Als ik je pak, maak ik je kapot.”
en/of
"Ik zag dat het houtblok ongeveer 60 centimeter lang was en ongeveer 30 centimeter dik. Ik zag dat de verdachte het houtblok met twee ( 2) handen boven zijn hoofd hield. Ik zag dat hij een beweging met zijn armen maakte naar achter om vermoedelijk kracht te zetten om het houtblok te gooien.",
terwijl voornoemd proces-verbaal van bevindingen werd gebruikt in de strafzaak met parketnummer 16-327577-22 tegen en ten nadele van [benadeelde] , die in voornoemde strafzaak verdachte was;
(art. 207 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht)