ECLI:NL:RBMNE:2025:1366

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
UTR 24/6065
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 ZWArt. 3 ZWArt. 4 ZWArt. 5 ZWArt. 6 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vrijwillige verzekering Ziektewet wegens niet voldoen aan wettelijke voorwaarden

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een vrijwillige verzekering bij het UWV op grond van de Ziektewet. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 64 van Pro de Ziektewet, met name omdat hij niet behoort tot de limitatief opgesomde categorieën die voor vrijwillige verzekering in aanmerking komen.

Eiser voerde aan dat hij als zorgverlener werkt voor een familielid en dat er sprake is van een gezagsverhouding, waardoor hij wel zou moeten kunnen worden toegelaten. Tevens stelde hij dat het ontbreken van de verzekering tot onredelijke en oneerlijke situaties leidt, omdat hij bij ziekte zonder inkomen komt te zitten en het risico loopt zijn baan te verliezen.

De rechtbank oordeelt dat artikel 64 Ziektewet Pro een dwingendrechtelijke, limitatieve opsomming bevat van personen die kunnen worden toegelaten tot vrijwillige verzekering. Omdat eiser 40 uur per week werkt en daarmee niet voldoet aan het criterium van doorgaans minder dan vier dagen per week werken, valt hij niet onder de genoemde categorieën. Hierdoor is er geen ruimte voor een flexibele interpretatie van de wet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag door het UWV.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor vrijwillige verzekering Ziektewet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6065

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(het Uwv), verweerder,

(gemachtigde: J.H. Swart).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 4 september 2024 (het bestreden besluit). Hierin heeft het Uwv beslist dat de aanvraag van eiser voor een vrijwillige verzekering van het Uwv is afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet.
Totstandkoming van het besluit
Eiser werkt 40 uur per week als zorgverlener voor een familielid. Het familielid betaalt eiser met het persoonsgebonden budget (Pgb) wat hij ontvangt. Eiser heeft op 6 mei 2024 een aanvraag ingediend om via het Uwv vrijwillig verzekerd te zijn. [1]
3. Met de beschikking van 7 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat volgens het Uwv geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en het familielid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In die bezwaarprocedure heeft het Uwv de motivering gewijzigd en de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet. In de beslissing op bezwaar van 4 september 2024 (het bestreden besluit) blijft het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag en heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend.
5. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht de aanvraag van eiser voor een vrijwillige verzekering van het Uwv heeft afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Volgens de rechtbank heeft het Uwv dit terecht gedaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal dit doen aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgrond.
Waar gaat het geschil over?
7. Volgens eiser is de verzekering ten onrechte geweigerd. Hij voert aan dat hij een zorgverlener is en dat de werkrelatie kenmerken van een gezagsverhouding vertoont. Hij verzoekt om de wetsartikelen flexibel toe te passen. Ook wijst eiser erop dat hij een groot risico loopt om te worden ontslagen door de budgethouder als hij ziek wordt. Tot slot wijst eiser erop dat het ontbreken van deze verzekering tot een onredelijke en oneerlijke situatie zou leiden. Hij komt namelijk bij ziekte niet alleen zonder inkomen te zitten, maar loopt ook het risico om zijn baan te verliezen. De budgethouder kan namelijk niet zonder zorg en zal in geval van ziekte bij eiser opzoek moeten naar iemand anders die de zorgtaken verricht.
8. Volgens het Uwv kan eiser geen vrijwillige verzekering bij het Uwv afsluiten, omdat hij niet behoort niet tot één van de in de Ziektewet genoemde groepen van personen die toegelaten kunnen worden tot de vrijwillige Ziektewet-verzekering zoals is vermeld in artikel 64 van Pro de Ziektewet (ZW).
Wat vindt de rechtbank?
9. In artikel 3 van Pro de ZW staat wie er verplicht verzekerd is voor deze wet. Dat zijn de natuurlijke personen in een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking. In de artikelen 4 en 5 van de ZW worden regels gegeven voor die arbeidsverhoudingen die gelijk kunnen worden gesteld met een dienstbetrekking.
10. In artikel 6 van Pro de ZW worden regels gegeven welke arbeidsverhoudingen niet als dienstbetrekking kunnen worden aangemerkt. Zij zijn daarmee niet verplicht verzekerd voor de ZW. Voor zo ver hier relevant staat in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW dat als dienstbetrekking niet wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat. Voor die personen bestaat de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering af te sluiten. Dat kan op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder e, van de ZW.
11. Het gaat hier om een limitatieve opsomming. Dit betekent dat alleen de categorieën van personen die vermeld staan in artikel 64 van Pro de ZW kunnen worden toegelaten tot deze vrijwillige verzekering, anderen niet. De rechtbank oordeelt dat het Uwv er terecht op wijst dat eiser niet behoort tot de categorie, als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onder e, van de ZW. Immers eiser voldoet niet aan dat criterium, omdat hij niet op doorgaans vier dagen per week werkt, maar op vijf dagen, 40 uur per week. Eiser valt daarmee niet onder de categorie personen die vermeld staan in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder e, van de ZW en kan daarom niet toegelaten worden tot de vrijwillige Ziektewet-verzekering. Hierdoor komt de rechtbank, net het als Uwv, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van bijvoorbeeld de gezagsverhouding tussen eiser en de zorgvrager of de risico’s die eiser bij ziekte loopt. Omdat artikel 64 ZW Pro een dwingendrechtelijke wettelijke regeling is en een limitatieve opsomming van personen kent, is er geen ruimte voor een flexibele interpretatie zoals eiser verzoekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het Uwv terecht de aanvraag van eiser voor toelating tot de vrijwillige verzekering voor de ZW heeft afgewezen, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Er bestaat ook geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2025.
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 64 van Pro de Ziektewet.