Uitspraak
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
3.De beoordeling
4.De beslissing
JE RK 25-137 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend familierechter vanwege vermeende vooringenomenheid. Hij stelde dat de rechter al langdurig betrokken is bij zijn zaken, onterecht twijfels uitte over zijn geestelijke gesteldheid, en de Raad voor de Kinderbescherming niet tijdig had betrokken. Tevens was hij het niet eens met het verlies van het ouderlijk gezag over zijn kinderen.
De wrakingskamer onderzocht of er sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De rechter lichtte toe dat het uitgangspunt in familierecht 'één gezin, één rechter' is, wat kan leiden tot meerdere ongunstige uitspraken zonder dat dit vooringenomenheid impliceert. De tussenbeslissing om de zaak aan te houden voor nadere behandeling met de Raad werd als een normale procedurele stap beoordeeld.
De wrakingskamer oordeelde dat eerdere ongunstige uitspraken en de motivering van de tussenbeslissing geen grond vormen voor wraking. Ook het feit dat verzoeker het niet eens is met beslissingen en de procedurele gang van zaken leidt niet tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de familierechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.