ECLI:NL:RBMNE:2025:1694

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
UTR 23/6214
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen besluit minister

Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2023, waarin zijn bezwaar ongegrond was verklaard. Dit beroep werd ingetrokken nadat de minister op 24 maart 2025 het besluit introk en alsnog aan verzoeker tegemoetkwam door ontheffing te verlenen voor het inburgeringsexamen.

Verzoeker vroeg vervolgens om een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelde dit verzoek zonder zitting en concludeerde dat hoewel de minister aan verzoeker was tegemoetgekomen, dit niet automatisch leidt tot een proceskostenveroordeling. De advocaat van verzoeker trad pas op 14 oktober 2024 als gemachtigde op en gaf aan werkzaamheden te hebben verricht, maar deze betroffen geen proceshandelingen die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond. Wel wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden, waarvoor verzoeker zich tot de minister moet wenden.

De uitspraak werd gedaan door rechter P.J. Blok op 9 april 2025 en is verzonden aan partijen. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen proceshandelingen zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6214

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Mahboub),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de minister van 16 november 2023. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 24 maart 2025 dit besluit heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 12 december 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. De minister heeft op 24 maart 2025 dat besluit ingetrokken en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Aan verzoeker wordt toch ontheffing verleend voor het inburgeringsexamen. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden?
5. De minister is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker, maar toch bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent maar door verzoeker zelf. De advocaat van verzoeker heeft zich pas op 14 oktober 2024 gesteld als zijn gemachtigde. In een e-mailbericht van 26 maart 2025 legt de gemachtigde uit dat er kosten zijn gemaakt voor het bestuderen van het dossier in de bezwaarfase en van de door verzoeker ingediende beroepsgronden, het indienen van aanvullende stukken in beroep, het voorbereiden van de zitting, het bestuderen van het nieuwe besluit van de minister en de advisering van verzoeker rondom het intrekken van zijn beroep. De rechtbank begrijpt dat deze werkzaamheden zijn verricht, maar naar het oordeel van de rechtbank zijn dat geen proceshandelingen die op grond van artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de minister wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.