ECLI:NL:RBMNE:2025:1718

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
11614566 UE VERZ 25-86
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670b lid 1 BWArt. 7:629 BWArt. 7:610b BWArt. 7:625 BWArt. 7:671c lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens niet-naleving loondoorbetalingsverplichting

De werknemer is sinds november 2019 op oproepbasis in dienst bij de werkgever. In januari 2023 meldde zij zich ziek vanwege gezondheidsklachten. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst in onderling overleg was beëindigd, maar dit werd niet schriftelijk bevestigd en is niet aannemelijk.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, omdat geen geldige opzegging of wederzijds goedvinden is vastgesteld. De werkgever had de bedrijfsarts moeten inschakelen maar deed dit niet. De werknemer heeft recht op doorbetaling van 70% van haar loon over een periode van 104 weken vanaf de eerste ziektedag.

De werkgever is veroordeeld tot betaling van het loon, vakantiegeld, wettelijke verhoging en rente. Tevens is de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever die haar re-integratie- en loondoorbetalingsverplichtingen niet nakwam. De werkgever moet ook salarisspecificaties verstrekken en de proceskosten betalen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en de werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling, vakantiegeld, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11614566 UE VERZ 25-86 CFd/63200
Beschikking van 31 maart 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. S. Pershad,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. E.P. Keuvelaar.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen;
  • de brief van 3 oktober 2024 van [verzoekster] , met een bijlage;
  • het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 12 februari 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Inleiding
2.1.
[verweerster] is een schoonmaakbedrijf dat schoonmaakkrachten ter beschikking stelt voor de reiniging van het interieur van gebouwen. [verzoekster] is sinds 8 november 2019 bij [verweerster] in dienst op oproepbasis. Op 29 januari 2023 heeft [verzoekster] aan [verweerster] laten weten dat zij langere tijd niet kan werken in verband met gezondheidsklachten. [verweerster] heeft daarop aangegeven haar uit het systeem te halen en een brief te sturen waarin staat dat partijen in onderling overleg hebben besloten de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Een dergelijke brief heeft [verzoekster] echter nooit ontvangen.
2.2.
[verzoekster] meent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en verzoekt de kantonrechter te bepalen dat [verweerster] haar loon doorbetaalt vanaf 1 januari 2023 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. In de tussen partijen gevoerde dagvaardingsprocedure heeft op 12 februari 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. In die procedure heeft [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan. Aangezien het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst thuishoort in een verzoekschriftprocedure, heeft de kantonrechter ter zitting een spoorwissel ex artikel 69 Rv Pro toegepast. Omdat [verweerster] niet tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was is zij in de gelegenheid gesteld om op het verzoek te reageren en haar standpunt kenbaar te maken. [verweerster] heeft niet gereageerd op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] .
De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd. [verzoekster] heeft op 29 januari 2023 aangegeven voorlopig niet te komen werken, omdat zij gezondheidsklachten heeft. [verweerster] had de bedrijfsarts moeten inschakelen. Dat heeft zij niet gedaan. In plaats daarvan heeft zij aangegeven dat ze een brief zou sturen waarin staat dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt, maar ook dat heeft zij niet gedaan. De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd met wederzijds goedvinden (artikel 7:670b lid 1 BW). Evenmin is sprake van een opzegging van [verzoekster] . De Hoge Raad heeft de eis gesteld dat de opzegging van de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring moet zijn. Van een dergelijke verklaring is geen sprake. Ook van een eenzijdige opzegging namens [verweerster] is geen sprake. Zij heeft enkel aangeven dat zij [verzoekster] uit het systeem zal halen. Daaruit hoefde [verzoekster] niet te begrijpen dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst eenzijdig wilde beëindigen. De conclusie is daarom dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd.
[verzoekster] heeft recht op doorbetaling van loon
2.4.
Omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd heeft [verzoekster] gedurende 104 weken recht op doorbetaling van 70% van haar loon tijdens ziekte (artikel 7:629 BW Pro). [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij beschikbaar was voor een oproep van de bedrijfsarts. [verweerster] heeft dat niet weersproken. Dat [verweerster] [verzoekster] niet heeft opgeroepen komt voor haar rekening en risico.
2.5.
[verzoekster] doet voor haar aanspraak op loon een beroep op het rechtsvermoeden (artikel 7:610b BW). [verweerster] voert aan dat voor de referteperiode een jaar als uitgangspunt moet worden genomen. De kantonrechter heeft echter geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke referteperiode van drie maanden en neemt de maanden oktober tot en met december 2022 als uitgangspunt. In deze maanden is gemiddeld 32,17 uur per maand gewerkt door [verzoekster] tegen een bruto uurloon van € 12,67. Dat leidt ertoe dat [verzoekster] recht had op betaling van € 407,59 bruto per maand tot het moment van ziekmelding, uitgaande van voormeld aantal gewerkte uren. [verzoekster] vordert betaling van 70% van haar loon tijdens ziekte, zijnde € 285,31 bruto per maand. Dat bedrag kan worden toegewezen over een periode van 104 weken na de eerste ziektedag, zijnde, zo begrijpt de kantonrechter, 29 januari 2023. [1] De gevraagde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat onduidelijk is welk belang [verzoekster] daarbij heeft. De vordering tot loonbetaling wordt toegewezen vanaf 29 januari 2023 tot 29 januari 2025.
[verweerster] moet vakantiegeld betalen
2.6.
[verweerster] heeft niet weersproken dat [verzoekster] recht heeft op vakantiegeld over de periode vanaf 29 januari 2023 tot 29 januari 2025. [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling daarvan.
[verweerster] moet wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen
2.7.
De niet tijdige betaling van het loon vanaf 29 januari 2023 is aan [verweerster] toe te rekenen. Dit betekent dat zij op grond van artikel 7:625 BW Pro de wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro zal worden toegewezen tot het maximum van 50%. De kantonrechter ziet geen reden voor matiging. De wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat [verweerster] te laat is met betaling van het loon.
Er is geen sprake van rechtsverwerking
2.8.
Van rechtsverwerking is geen sprake. Er is sprake van rechtsverwerking als een schuldeiser zich dusdanig heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is als zij nog een beroep op dit recht doet. Enkel stilzitten van de schuldeiser is daarvoor niet voldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die bij de schuldenaar, in dit geval [verweerster] , het vertrouwen hebben gewekt dat [verzoekster] haar aanspraak niet meer geldend zal maken of dat de positie van [verweerster] onredelijk wordt benadeeld. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
2.9.
Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
2.10.
[verweerster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld omdat zij haar re-integratie- en loondoorbetalingsverplichting niet is nagekomen. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst daarom toewijzen. De arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met ingang van vandaag.
[verweerster] moet salarisspecificaties verstrekken
2.11.
De gevorderde afgifte van salarisspecificaties zal ook worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat over de maand januari, ook voor de ziekte, geen salarisspecificatie is verstrekt aangezien er ook geen loon is betaald over januari 2023. De kantonrechter zal daarom de vordering toewijzen over de periode 1 januari 2023 tot 29 januari 2025. De kantonrechter zal de gevorderde dwangsom matigen tot een bedrag van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,- in totaal.
[verweerster] moet de proceskosten betalen
2.12.
[verweerster] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [verzoekster] tot vandaag vast op € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 949,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.13.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van vandaag;
3.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen het salaris van € 285,31 bruto per maand vanaf 29 januari 2023 tot 29 januari 2025 en het vakantiegeld over die periode, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van het loon tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerster] tot afgifte aan [verzoekster] van de specificaties over het loon over de periode van 1 januari 2023 tot 29 januari 2025 binnen een week na deze beschikking en bepaalt dat [verweerster] een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat zij nadien in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, ter hoogte van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,- in totaal;
3.4.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op € 949,-;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken door J.W. Wagenaar op 31 maart 2025.

Voetnoten

1.Art. 7:629 BW Pro