Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak heeft eiser verzocht om verbetering van het vonnis van 19 februari 2025, omdat het dictum een kennelijke fout bevatte. De kantonrechter had de veroordeling tot betaling van een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten aan gedaagden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder koppeling aan de daadwerkelijke ontruiming van de woning.
Eiser stelde dat de vergoeding pas verschuldigd is vanaf het moment dat gedaagden de woning daadwerkelijk verlaten, aangezien de kosten pas dan worden gemaakt. Gedaagden hebben niet gereageerd op dit verzoek tot verbetering.
De kantonrechter oordeelde dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en het ontbreken van een koppeling met de ontruiming een kennelijke fout vormden. Daarom werd het vonnis hersteld: de betaling van de vergoeding wordt pas verschuldigd na daadwerkelijke ontruiming van de woning, en de veroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Daarnaast werd bepaald dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en dat het herstelvonnis op de minuut van het oorspronkelijke vonnis wordt vermeld. Het vonnis is gewezen door rechter J.M. van Wegen en op 16 april 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Betaling van de tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten wordt gekoppeld aan daadwerkelijke ontruiming van de woning en niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.