ECLI:NL:RBMNE:2025:1931
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid na TIA
Eiseres, werkzaam als casemanager, kreeg na een TIA in 2014 een WIA-uitkering toegekend wegens 36,35% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat zij 56,61% arbeidsongeschikt was en besloot de uitkering voort te zetten. Eiseres betwistte deze beoordeling en stelde dat haar beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, mede op basis van een neuropsychologisch onderzoek uit 2017.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voerden een herbeoordeling uit, waarbij aanvullende beperkingen werden erkend en passende functies werden geselecteerd die aansluiten bij haar belastbaarheid. De rechtbank volgde de medische en arbeidskundige beoordelingen, oordeelde dat de klachten en beperkingen adequaat waren meegenomen en dat eiseres onvoldoende medische onderbouwing leverde om het oordeel te weerleggen.
De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering voortzette op basis van 56,61% arbeidsongeschiktheid per 11 oktober 2022. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk een schending van artikel 7:12 Awb Pro bevatte, werd dit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat eiseres hierdoor niet benadeeld werd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV mag de WIA-uitkering voortzetten op basis van 56,61% arbeidsongeschiktheid.