ECLI:NL:RBMNE:2025:1968

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
UTR 24/8145
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbWet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens onvoldoende motivering en termijnverlening

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college om zijn aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning niet in behandeling te nemen. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van bezwaargronden.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift, ondanks de summiere motivering, een voldoende concrete bezwaargrond bevatte. Daarnaast had het college eiser een termijn moeten geven om zijn bezwaargronden aan te vullen voordat het tot niet-ontvankelijkheid overging.

De rechtbank benadrukt dat een stilzwijgende instemming met een verzoek om termijnverlenging niet gelijkstaat aan het geven van een hersteltermijn zoals bedoeld in de Awb. Daarom is het besluit van het college onzorgvuldig en wordt het vernietigd.

Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw, inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijk te verklaren wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 14 november 2024.
2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. Met het besluit van 15 maart 2024 heeft het college besloten om eisers aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet in behandeling te nemen. Eiser heeft tegen dit besluit op 18 april 2024 bezwaar gemaakt.
4. Onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college op 14 november 2024 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen bezwaargronden heeft ingediend.
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn bezwaarschrift een summiere grond bevat zodat zijn bezwaar wel ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zij overweegt daartoe het volgende.
6. Volgens vaste rechtspraak worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee dat in de regel ook van een summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Hiermee wordt een feitelijke grond bedoeld. Daaronder wordt verstaan: een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is. Een niet verder uitgewerkte stelling dat een besluit strijdig is met de daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen of met een beginsel als bijvoorbeeld het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel kan niet als concrete bezwaargrond worden aangemerkt. [1]
7. In het bezwaarschrift staat het volgende:
“Cliënt is nadrukkelijk niet eens met het bestreden besluit, er is onvoldoende naar de situatie bij cliënt gekeken gezien de noodzaak van deze ondersteuning, nav melding en aanvraag.”
8. Hoewel deze motivering summier is en eiser zijn standpunt (nog) niet nader had onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende bezwaargrond. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift voldeed aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
9. Maar ook als ervan wordt uitgegaan dat van een bezwaargrond geen sprake is, had het college eiser – alvorens te beslissen op zijn bezwaarschrift – in de gelegenheid moeten stellen om de bezwaargronden aan te vullen en hem daarvoor een termijn moeten geven. [2] Dit heeft het college niet gedaan. Een zorgvuldige behandeling van een bezwaarschrift brengt bovendien met zich mee, dat het bestuursorgaan bij het stellen van een – als fataal bedoelde – termijn voor het herstellen van een verzuim, erop wijst dat overschrijding van die termijn ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het college stelt dat het stilzwijgend heeft ingestemd met eisers verzoek om hem een termijn van vier weken te geven om zijn bezwaar aan te vullen. Een stilzwijgende instemming kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet gelijk worden gesteld aan het geven van een hersteltermijn als bedoeld in artikel 6:6 aanhef Pro en onder a, van de Awb.

Conclusie

10. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college eisers bezwaren ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college zal een nieuw – inhoudelijk – besluit moeten nemen op eisers bezwaarschrift.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 november 2024;
- bepaalt dat het college binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser neemt;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2444.
2.Met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Awb,