ECLI:NL:RBMNE:2025:2003

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
25/1861
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Verzoekster diende op 23 september 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 7 november 2022 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder stelde dat de beschikking al op 18 april 2024 was genomen en betwistte het procesbelang van verzoekster. Verzoekster gaf aan de beschikking pas op 8 januari 2025 te hebben ontvangen, bij toezending van het verweerschrift, en was bereid het beroep in te trekken onder voorwaarde van volledige proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was en dat het beroep terecht was ingesteld. Verweerder erkende uiteindelijk dat verzoekster recht heeft op terugbetaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op €453,50, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, en veroordeelde verweerder tot betaling hiervan. Het griffierecht van €51,- moet verweerder eveneens vergoeden.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had. Verzoekster kan tegen deze uitspraak binnen zes weken verzetschrift indienen. De beslissing werd op 15 april 2025 openbaar uitgesproken door rechter I. Helmich.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 proceskosten aan verzoekster na intrekking beroep herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1861

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] (België), verzoekster,

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 23 september 2024 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 7 november 2022 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 22 oktober 2024 en 2 januari 2025 heeft verweerder (aanvullende) verweerschriften ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat hij op 18 april 2024 de aanvraag van verzoekster heeft beoordeeld. Verzoekster heeft volgens verweerder geen procesbelang bij onderhavig beroep.
Verzoekster heeft op 17 januari 2025 op het verweerschrift van verweerder van 2 januari 2025 gereageerd. Hierin geeft verzoekster aan dat zij de definitieve beschikking op de aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag niet eerder heeft ontvangen dan bij brief van de rechtbank van 8 januari 2025, zijnde de toezending van het verweerschrift van 2 januari 2025. Verzoekster geeft aan bereid te zijn de procedure in te trekken, een en ander enkel onder toekenning van een volledige proceskostenvergoeding.
Op 14 februari 2025 en 19 februari 2025 heeft verweerder gereageerd op het verzoek om toekenning van een volledige proceskostenvergoeding. Op 12 maart 2025 heeft verweerder (opnieuw) een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Den Haag, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van verzoekster te beslissen. [1]
2. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
Proceskostenvergoeding
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Er bestaat geschil tussen partijen over de vraag of de proceskosten van verzoekster voor vergoeding in aanmerking moeten komen. Verzoekster is van mening dat verweerder moet worden veroordeeld in de proceskosten, omdat zij pas bij brief van de rechtbank van 8 januari 2025 (waarbij de rechtbank het verweerschrift van 2 januari 2025 aan haar doorstuurde) bekend is geworden met het feit dat er al een beschikking is genomen over haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft in zijn aanvullende reacties van 14 februari 2025 en 19 februari 2025 aangegeven dat hij geen reden ziet voor een veroordeling in de proceskosten van verzoekster. Verweerder heeft echter in zijn verweerschriften van 22 oktober 2024 en 12 maart 2025 aangegeven dat verzoekster wél in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding en recht heeft op terugbetaling van het griffierecht.
5. De rechtbank oordeelt hier als volgt over. De rechtbank gaat uit van het laatstelijk door verweerder ingenomen standpunt omtrent de proceskostenvergoeding. Verweerder heeft zich in het laatste verweerschrift van 12 maart 2025 uitgelaten over een proceskostenvergoeding. Hierin geeft verweerder aan dat verzoekster het beroep terecht heeft ingesteld en dat verweerder daarom het griffierecht moet terugbetalen en een proceskostenvergoeding moet betalen.
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen als volgt vast, waarbij de vergoeding wordt berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van A.C. van de Biesebos, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb.