Verzoekster diende op 23 september 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 7 november 2022 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder stelde dat de beschikking al op 18 april 2024 was genomen en betwistte het procesbelang van verzoekster. Verzoekster gaf aan de beschikking pas op 8 januari 2025 te hebben ontvangen, bij toezending van het verweerschrift, en was bereid het beroep in te trekken onder voorwaarde van volledige proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was en dat het beroep terecht was ingesteld. Verweerder erkende uiteindelijk dat verzoekster recht heeft op terugbetaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op €453,50, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, en veroordeelde verweerder tot betaling hiervan. Het griffierecht van €51,- moet verweerder eveneens vergoeden.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had. Verzoekster kan tegen deze uitspraak binnen zes weken verzetschrift indienen. De beslissing werd op 15 april 2025 openbaar uitgesproken door rechter I. Helmich.