ECLI:NL:RBMNE:2025:2024

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
24/1600
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ingetrokken naheffingsaanslag en proceskostenveroordeling

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder inzake een naheffingsaanslag. Verweerder heeft echter in het verweerschrift aangegeven het eerdere besluit te herroepen en de naheffingsaanslag in te trekken. Hierdoor is het geschil tussen partijen komen te vervallen, waardoor verzoeker geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van het beroep.

De rechtbank overweegt dat het procesbelang essentieel is voor ontvankelijkheid en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het geschil is komen te vervallen. Tevens oordeelt de rechtbank dat verzoeker niet kan verzoeken om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom, omdat de procedure niet is ingesteld wegens niet-tijdig beslissen.

Ondanks de niet-ontvankelijkheid veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van verzoeker, omdat de intrekking van de naheffingsaanslag pas na het instellen van het beroep heeft plaatsgevonden. De proceskosten worden vastgesteld op €1.150,-, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. Ook dient verweerder het griffierecht van €51,- aan verzoeker te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege ingetrokken naheffingsaanslag, met veroordeling van verweerder in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1600

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

(gemachtigde: F.R. Eggink),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwegein, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 23 januari 2024.
Op 21 mei 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft op 4 juni 2024 een reactie gegeven op het verweerschrift.

Overwegingen

1. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [1]
2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 21 mei 2024 aangegeven dat hij terugkomt op zijn besluit van 23 januari 2024. Verweerder geeft aan dat hij het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat hij de bestreden naheffingsaanslag alsnog intrekt.
3. Gelet op bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij de uitkomst van onderhavige procedure. Het geschil tussen verzoeker en verweerder bestaat namelijk niet meer, aangezien verweerder de bestreden naheffingsaanslag alsnog heeft ingetrokken.
4. Voor zover verzoeker van mening is dat het procesbelang gelegen is in het verzoek tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom, oordeelt de rechtbank als volgt. Aan de rechtbank kan enkel worden verzocht om vaststelling van de bestuurlijke dwangsom indien er sprake is van een procedure die is ingesteld, vanwege het niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan. Dit volgt uit artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onderhavige procedure is ingesteld, omdat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu onderhavige procedure niet is ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar, kan door eiser niet aan de rechtbank worden verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het procesbelang tot gegrondverklaring van het beroep kan daarom evenmin hierin gelegen zijn.
5. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Proceskosten en griffierecht
6. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). Ondanks dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart, ziet zij wel reden om verweerder in de proceskosten van verzoeker te veroordelen. Verweerder heeft namelijk pas de bestreden naheffingsaanslag ingetrokken nadat verzoeker in beroep is gegaan.
7. Partijen zijn het oneens over de wegingsfactor die toegepast moet worden. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 21 mei 2024 aangegeven dat de wegingsfactor 0,25 dient te zijn. In een reactie hierop heeft verzoeker op 4 juni 2024 aangegeven dat hij van mening is dat een wegingsfactor van 0,5 toegepast dient te worden.
8. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 1.150,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- met een wegingsfactor van 0,5 [2] en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 0,5).
9. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van Pro de Awb).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.150,-;
- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- aan hem moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.
2.De rechtbank merkt op dat verweerder in zijn verweerschrift aangaf twee punten toe te kennen voor de bezwaarfase. Reden waarom de rechtbank tevens twee punten toekent.