ECLI:NL:RBMNE:2025:2042

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
28 april 2025
Zaaknummer
11407667 \ MC EXPL 24-7488
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis wegens termijnoverschrijding

Eiseres sloot in 2004 en 2005 kredietovereenkomsten met ABN AMRO. Door betalingsachterstand werd zij in 2013 bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim €22.000. Het verstekvonnis werd aan eiseres betekend door achterlating van het exploot op haar woonadres. In september 2024 ontving eiseres een brief van ABN AMRO met het verstekvonnis en dagvaarding als bijlage.

Eiseres stelde verzet in tegen het verstekvonnis, stellende dat zij niet tijdig bekend was met het vonnis en dat de vorderingen verjaard waren. De kantonrechter oordeelde dat de verzettermijn van vier weken begon te lopen op het moment dat eiseres ondubbelzinnig bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis, namelijk op 26 september 2024 toen zij het vonnis met haar advocaat besprak.

Omdat het verzet pas op 25 oktober 2024 werd ingesteld, was dit niet tijdig. Daarom verklaarde de kantonrechter eiseres niet-ontvankelijk in het verzet, waardoor het verstekvonnis in stand bleef. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.

Uitkomst: Eiseres is niet-ontvankelijk verklaard in het verzet wegens niet tijdig instellen, waardoor het verstekvonnis in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11407667 \ MC EXPL 24-7488
Vonnis in verzet van 30 april 2025
in de zaak van
[opposante],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in het verzet,
hierna te noemen: [opposante] ,
gemachtigde: mr. M. Heikens te Amsterdam,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te [.] ,
gedaagde in het verzet,
hierna te noemen: ABN AMRO,
gemachtigde: mr. J.N.C. de Kluijver te Alphen aan den Rijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 20 november 2013 (hierna: het verstekvonnis);
- de verzetdagvaarding van 25 oktober 2024 met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in verzet met producties 1 en 2;
- de conclusie van repliek in verzet.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[opposante] heeft op 23 januari 2004 en 25 oktober 2005 kredietovereenkomsten met ABN AMRO gesloten voor een bedrag van respectievelijk € 1.000,00 en € 18.500,00.
2.2.
Op 24 oktober 2013 heeft ABN AMRO [opposante] gedagvaard vanwege een betaalachterstand die is ontstaan in de terugbetaling van de verstrekte kredieten. [opposante] is in die procedure niet verschenen en is daarom door de kantonrechter van deze rechtbank bij verstek veroordeeld.
2.3.
Het verstekvonnis is op 11 december 2013 bij deurwaardersexploot aan [opposante] betekend door middel van het achterlaten van het exploot in een gesloten envelop op het woonadres van [opposante] .
2.4.
Op 16 september 2024 heeft de gemachtigde van ABN AMRO een brief gestuurd waarin [opposante] verzocht wordt om het bedrag waartoe zij in het verstekvonnis is veroordeeld te betalen. Het verstekvonnis met de dagvaarding is als bijlage bij de brief gevoegd, aldus [opposante] . De brief en bijlagen is door [opposante] op 25 september 2024 ontvangen.

3.Het geschil in het verzet

3.1.
ABN AMRO heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [opposante] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 22.771,30 (bestaande uit een hoofdsom van € 20.876,34 vermeerderd met contractuele rente) en met veroordeling van [opposante] in de proceskosten van de verstekprocedure.
3.2.
Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van ABN AMRO toegewezen met dien verstande dat de reguliere wettelijke rente over de hoofdsom is toegewezen in plaats van de gevorderde contractuele rente. Verder is [opposante] veroordeeld in de proceskosten van de verstekprocedure aan de zijde van ABN AMRO tot de dag van de uitspraak begroot op € 1.390,79 en de nakosten van € 100,00.
3.3.
[opposante] vordert in het verzet dat zij bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt ontheven van de veroordelingen in het verstekvonnis met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten en nakosten van de verstek- en verzetprocedure.
3.4.
[opposante] heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen van ABN AMRO zijn verjaard en dat niet is onderbouwd dat zij het krediet uit hoofde van de kredietovereenkomsten heeft opgenomen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het verzet is niet tijdig ingesteld
4.1.
Voordat de kantonrechter toe kan komen aan de inhoudelijke beoordeling van het
verzet, dient eerst beoordeeld te worden of [opposante] haar verzet tijdig heeft ingesteld.
4.2.
In artikel 143 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering is geregeld dat verzet tegen een verstekvonnis moet worden ingesteld binnen vier weken. Het artikel noemt een drietal momenten waarop de termijn van 4 weken begint te lopen:
De verzettermijn begint te lopen vanaf het moment dat het vonnis aan de veroordeelde partij in persoon is betekend. Betekening door middel van afgifte aan een huisgenoot of achterlating in een enveloppe, laat de verzettermijn niet aanvangen.
De termijn begint ook te lopen vanaf het moment dat door de veroordeelde partij een daad van bekendheid is gedaan. Dat wil zeggen een gedraging naar buiten toe waaruit blijkt dat de gedaagde kennis heeft van de hoofdinhoud van het vonnis.
Tot slot begint de termijn te lopen na voltooiing van de tenuitvoerlegging (executie) van het vonnis.
4.3.
ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat [opposante] niet tijdig in verzet is gekomen. Volgens ABN AMRO is [opposante] op 26 september 2024 bekend geraakt met het verstekvonnis, omdat zij de brief van 16 september 2024 en het verstekvonnis toen met haar advocaat heeft besproken.
4.4.
[opposante] betwist dat zij op 26 september 2024 bekend was met het verstekvonnis. Volgens [opposante] is zij pas op 30 september 2024 bekend geraakt met het verstekvonnis, omdat haar advocaat toen de bijlagen bij het verstekvonnis heeft opgevraagd bij de gemachtigde van ABN AMRO.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat het verstekvonnis niet in persoon aan [opposante] is betekend. Evenmin is de tenuitvoerlegging van het vonnis voltooid. De vraag is daarom op welk moment [opposante] ondubbelzinnig een daad van bekendheid met de inhoud van het verstekvonnis heeft gepleegd.
4.6.
Op 26 september 2024 heeft [opposante] de brief van 16 september 2024 met daarbij volgens [opposante] gevoegd het verstekvonnis en de dagvaarding met haar advocaat besproken. De kantonrechter is van oordeel dat uit het overhandigen van het verstekvonnis aan haar advocaat en het bespreken daarvan, de bekendheid van [opposante] met het verstekvonnis voortvloeit. Hoewel [opposante] op dat moment niet bekend was met de bijlagen bij het verstekvonnis, was zij bekend met de eiser, de vordering, de veroordeling jegens haar en het gerecht door wie zij is veroordeeld. Uit het enkele feit dat de bijlagen bij het verstekvonnis niet bij [opposante] bekend waren, kan niet worden afgeleid dat niet aan het hiervoor genoemde vereiste is voldaan.
4.7.
[opposante] heeft nog aangevoerd dat haar advocaat op 30 september 2024 de onderliggende stukken van het verstekvonnis bij de gemachtigde van ABN AMRO heeft opgevraagd. Uit die omstandigheid volgt volgens [opposante] dat zij pas op 30 september 2024 bekend is geraakt met het verstekvonnis. Daarin wordt [opposante] niet gevolgd. Op 30 september 2024 beschikte (de advocaat van) [opposante] niet over meer stukken dan op 26 september 2024. Niet valt in te zien waarom [opposante] op 30 september 2024 dan wel bekend was met het verstekvonnis, maar op 26 september 2024 nog niet.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat de verzetdagvaarding binnen vier weken na 26 september 2024 moest worden uitgebracht. De verzetdagvaarding is pas op 25 oktober 2024 uitgebracht. Dit betekent dat het verzet niet tijdig is ingesteld. De kantonrechter verklaart [opposante] daarom niet-ontvankelijk in het verzet. Dit leidt ertoe dat het verstekvonnis in stand blijft.
Proceskosten
4.9.
[opposante] is in het ongelijk gesteld in het verzet en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO in verzet worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
(1 punt × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [opposante] niet-ontvankelijk in het verzet,
5.2.
veroordeelt [opposante] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.