Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in verzet met producties 1 en 2;
- de conclusie van repliek in verzet.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres sloot in 2004 en 2005 kredietovereenkomsten met ABN AMRO. Door betalingsachterstand werd zij in 2013 bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim €22.000. Het verstekvonnis werd aan eiseres betekend door achterlating van het exploot op haar woonadres. In september 2024 ontving eiseres een brief van ABN AMRO met het verstekvonnis en dagvaarding als bijlage.
Eiseres stelde verzet in tegen het verstekvonnis, stellende dat zij niet tijdig bekend was met het vonnis en dat de vorderingen verjaard waren. De kantonrechter oordeelde dat de verzettermijn van vier weken begon te lopen op het moment dat eiseres ondubbelzinnig bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis, namelijk op 26 september 2024 toen zij het vonnis met haar advocaat besprak.
Omdat het verzet pas op 25 oktober 2024 werd ingesteld, was dit niet tijdig. Daarom verklaarde de kantonrechter eiseres niet-ontvankelijk in het verzet, waardoor het verstekvonnis in stand bleef. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.
Uitkomst: Eiseres is niet-ontvankelijk verklaard in het verzet wegens niet tijdig instellen, waardoor het verstekvonnis in stand blijft.