ECLI:NL:RBMNE:2025:2079
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning op basis van vergelijkingsmethode bevestigd
In deze bestuursrechtelijke zaak is de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning aan de orde, vastgesteld op 1 januari 2022. Verweerder stelde de waarde aanvankelijk vast op €1.448.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar €1.385.000. Eiser betwistte deze waarde en stelde dat de waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar onterecht hoog was.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van verweerder, die een taxatiematrix overlegde met drie vergelijkbare woningen in dezelfde plaats. De woningen waren qua type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar. De prijs per vierkante meter van de woning lag lager dan die van de referentiewoningen, wat de vastgestelde waarde ondersteunt.
Eiser voerde aan dat de procentuele waardestijging hoger was dan bij referentiewoningen, maar de rechtbank oordeelde dat de jaarlijkse waardebepaling steeds opnieuw plaatsvindt op basis van actuele verkoopgegevens, waardoor deze stelling niet opgaat.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €1.385.000 wordt bevestigd.