Verdachte werd verdacht van drie feiten: twee voltooide woninginbraken en een poging tot woninginbraak, gepleegd in september en oktober 2024 in verschillende plaatsen. De tenlasteleggingen betroffen het stelen van sieraden, een muntenverzameling en een poging tot diefstal van geld en goederen door middel van braak.
Tijdens de terechtzitting op 16 april 2025 voerde de verdediging aan dat de herkenningen van verdachte op camerabeelden onvoldoende betrouwbaar waren en dat er geen aanvullend bewijs was dat verdachte daadwerkelijk op de plaatsen delict aanwezig was geweest. De officier van justitie stelde daarentegen dat de feiten wettig en overtuigend bewezen konden worden.
De rechtbank oordeelde dat de herkenningen, die de belangrijkste bewijsmiddelen vormden, niet betrouwbaar waren vanwege slechte beeldkwaliteit, onduidelijke persoonskenmerken en tegenstrijdige verklaringen, waaronder een afwijzing van herkenning door een aangeefster. Er was geen aanvullend bewijs dat verdachte met de feiten in verband bracht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Daarnaast werd de teruggave van in beslag genomen schoenen aan verdachte gelast. De benadeelde partij die materiële schade had geleden werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de schade reeds was vergoed en er geen bedrag voor immateriële schade was gevorderd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.